Bestuur en Beleid Nederland Bevolkingsdaling Europees arbeidsmigratiebeleid

Europees arbeidsmigratiebeleid

door Leo Klinkers

Vanaf de jaren tachtig staat het beleid voor immigranten in het kader van asielbeleid. In dat soort beleid is de enige vraag die telt: is het een legale of een illegale immigrant? Wat voor soort kennis die persoon in huis heeft, legt geen gewicht in de schaal van de beoordeling of hij welkom is of niet. Dat gaat nu heel langzaam een heel klein beetje veranderen. Misschien.

Eerst een omschrijving. Een kennismigrant is een hoogopgeleid persoon uit een land buiten de Europese Unie (EU) die men graag binnen de Unie aan het werk zou willen zien. Het kennismigratiebeleid is dus het beleid dat beoogt om de toestroom van hoogopgeleiden van buiten de EU te verleiden naar ons toe te komen. Dat gaat niet van een leien dakje. Omdat immigratie – en dat geldt voor alle lidstaten van de EU – wordt beheerst door het denken in termen van asielbeleid, zijn alle procedures en soorten mensen die binnen die procedures werken, gericht op ‘niet welkom, tenzij’.

In de grond staat het Europese immigratiebeleid, alsook dat van Nederland, vijandig tegenover mensen die bij ons toegang vragen. Wie wel eens heeft meegelopen in een asielprocedure kan daarover verhalen. Zelf heb ik eenmaal vier asielzoekers begeleid, maar de obstructie van de kant van de vele officiële organen die ik op dat pad ontmoette, hebben mij op een zeker moment doen besluiten ermee op te houden. Een van de meest verdrietige ervaringen uit mijn loopbaan. Het nettoresultaat was dat twee asielzoekers besloten terug te gaan naar hun moederland, waarna ik niets meer van hen heb gehoord. De twee anderen doken onder in de illegaliteit. En daarmee uit beeld.

De laatste jaren horen we echter een geluid dat een nieuw aspect toevoegt aan deze materie. Europa vergrijst sterk. Daardoor gaat een bepaalde kwantiteit van arbeid en een bepaalde kwaliteit van kennis verloren die nodig is om de economische processen op gang te houden. Hoe lossen we dat op? Door kennismigranten binnen te halen. Van buiten de EU, omdat migratie binnen de EU sowieso een vrije zaak is. In de Europese Commissie is vooral Eurocommissaris Franco Frattini met die taak belast. Eind 2005 heeft hij enkele ideeën over een Europees kennismigratiebeleid ontvouwd, mede in de context van de aangescherpte Lissabondoelen, met de belofte dat in 2007 concrete maatregelen zouden volgen. Enkele aspecten daarvan zijn in de zomer van 2007 uitgelekt.1 Voordat ik die beschrijf, ga ik eerst in op een advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) hierover en de reactie van het kabinet daarop.

In maart 2007 heeft de SER in een over Arbeidsmigratiebeleid een omvattende verklaring afgelegd over het belang van het aantrekken van kennismigranten. Het is een antwoord op de adviesaanvraag ter zake van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van september 2006. Die adviesaanvraag is op haar beurt voortgevloeid uit de beleidsnotitie van het kabinet van mei 2006 onder de titel Naar een modern migratiebeleid. Enkele punten uit het advies van de SER zijn:
- Er moet een omslag komen in het beleid van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja, mits’.
- Er moet een selectief maar uitnodigend beleid worden ontworpen om kennismigranten aan te trekken.
- De bestaande regelingen verdienen opwaardering.
- Arbeidsmigratie biedt geen oplossing voor vergrijzing! Dat is bepaald geen kleine zaak als men weet dat het denken over kennismigratie juist door die vergrijzing is begonnen.
- Nog een gevoelig punt: in de ogen van de SER blijft arbeidsmigratie een aanvulling op en het sluitstuk van het nationale arbeidsmarktbeleid dat zich richt op de arbeidsparticipatie van personen die nu aan de zijlijn staan. En daarmee doelt de SER op een betere inschakeling van de in Nederland al lang aanwezige asielmigranten. Indirect zegt de SER: voorgaande kabinetten hebben hier kansen laten liggen.
- Er zou onderzoek moeten worden gedaan naar de vraag waarom hoogopgeleiden vertrekken en wat ervoor nodig is om ze te behouden of te laten terugkeren.
- De SER vindt het van groot belang dat het toelatingsbeleid en de uitvoering daarvan over de hele linie wordt vereenvoudigd en gestroomlijnd (één loket).
- Verder geeft de Raad een hoop commentaar op het door het kabinet in mei 2006 voorgestelde nieuwe toelatingsbeleid. De kern daarvan is dat de SER betwijfelt of dat beleid Nederland aantrekkelijker maakt voor hooggekwalificeerde arbeidsmigranten.

Bij brief van 1 juni 2007 volgt de reactie van het kabinet, dat tegelijk ook ingaat op het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken Profijt van studiemigratiebeleid: een advies over de arbeidsmarktpositie van buitenlandse afgestudeerden. Afhankelijk van de maatschappelijke positie van de geïnteresseerde lezer, zal de interpretatie van het standpunt van het kabinet verschillen. De mijne luidt: het kabinet gaat een eind mee met de adviezen van de SER maar daarmee wordt het beleid van ‘nee, tenzij’ niet ten principale omgegooid naar ‘ja, mits’. Beheersing van de instroom blijft de maat der dingen. Weliswaar ietwat versoepeld in de technische procedures, en met een aarzelend handje wuivend naar hen die voor de poort staan, maar zeker niet een beleid dat gericht is op het opengooien van die poort, met een hartelijke ontvangst. We hebben hier te maken met een cultuurprobleem in de zittende (IND-)administratie. Het zal nog lang duren voordat nieuwe mensen met nieuwe ideeën en nieuwe mentaliteiten een voldragen kennismigratiebeleid zullen ontwerpen én uitvoeren.
Misschien dat de nieuwste gedachten van Eurocommissaris Frattini als breekijzer kunnen fungeren. De ideeën die omstreeks juli 2007 zijn uitgelekt, staan – naar mijn idee – haaks op het Nederlandse kabinetsbeleid. Althans, hij komt met een ‘ja, tenzij’ plan, waar Nederland nog hangt op het ‘nee, tenzij’ principe. Wat er nu van bekend is, heeft de volgende kenmerken.
Frattini propageert in navolging van de Amerikaanse green card een Europese blauwe kaart. Hoogopgeleiden van buiten de EU kunnen zo’n kaart krijgen en hebben dan het recht om zonder problemen te verhuizen binnen de EU naar een andere lidstaat als ze eerst twee jaar in een Europees land hebben gewerkt. Daarmee verdwijnt bijvoorbeeld de bureaucratische verplichting om in dat nieuwe land een werkvergunning aan te vragen. Iemand die vervolgens de EU verlaat, zou daarna zonder vermaling in ambtelijke molens na vier of vijf jaar gewoon weer in de EU mogen terugkeren. De blauwe kaart zou een geldigheidsduur van een jaar of vijf hebben. Daarmee houdt Frattini de geharnaste asielbeleidfetisjisten op afstand. Frattini beoogt de blauwe kaart in handen van de lidstaten te leggen. Daarmee rijzen twee onzekerheden. Gaan lidstaten dan elk hun eigen invulling daaraan geven? Zo ja, kan Frattini dan alsnog met richtlijnen zorgen voor een uniform EU-beleid? We zullen zien.