Bestuur en Beleid Nederland Commentaar op actualiteit Knettergek en het Reglement van Orde 2

Knettergek en het Reglement van Orde 2

door Leo Klinkers (24-01-2008)

Op 22 januari 2008 was de voorzitter van de Tweede Kamer, Gerdi Verbeet, te gast in het programma van Pauw en Witteman. Ze keken terug op het Jaarverslag van de Tweede Kamer, meer in het bijzonder naar de manier waarop de Kamervoorzitter intervenieerde als een lid van de Kamer beledigende woorden sprak. De affaire van 6 september 2007, waarin Geert Wilders minister Ellen Vogelaar enkele malen toevoegde dat ze knettergek was, kwam uiteraard ook ter sprake. Mede aan de hand van tv-fragmenten van ingrijpen van de Kamervoorzitter in vergelijkbare situaties stelden Pauw en Witteman vragen over de criteria voor wel of niet ingrijpen op dergelijke momenten. Zo ontnam de voorzitter een lid van de PVV het woord toen deze de loyaliteit van staatssecretarissen met dubbele paspoorten ter discussie wenste te stellen. Mevrouw Verbeet legitimeerde die ingreep met de woorden dat de door die personen afgelegde eden borg staan voor de loyaliteit aan Statuut, Grondwet en Koningshuis, en dat ze het tot haar taak rekent om mensen te beschermen die zichzelf niet tegen dat soort aanvallen kunnen verdedigen.

Toen het vervolgens over Wilders ging veranderde haar argumentatie. Zij stelde dat haar optreden in het algemeen voornamelijk werd ingegeven door de overweging om niet teveel de aandacht naar haar zelf toe te trekken, maar deze vooral naar de leden van de Tweede Kamer te laten uitgaan. Voorts dat ze tot tweemaal toe de aangevallen minister had uitgenodigd te melden of die zich beledigd voelde, dat deze ontkennend had geantwoord en dat ze om die reden Wilders niet had verzocht zijn woorden terug te nemen.

Mevrouw Verbeet werd bijgevallen door de eveneens aanwezige minister van Financiën, Wouter Bos. Die betrok de stelling dat je Geert Wilders zo weinig mogelijk aanleiding moet geven om misbaar te maken. Steeds als hij op de vingers wordt getikt slaat hij daar enkele dagen publiciteit uit, en dat moet je zoveel mogelijk zien te voorkomen, was zijn mening. Mevrouw Verbeet accepteerde stilzwijgend die toevoegingen als een extra argument voor haar optreden.

Laten we dit eens nader bekijken. Mevrouw Verbeet zei onder meer: “Ik heb mevrouw Vogelaar tot tweemaal toe de gelegenheid gegeven bezwaar te maken tegen deze aantijgingen maar als de minister zelf zegt zich niet beledigd te voelen, dan heb ik geen …., dan is het gepasseerd.” Ze hield dus midden in de zin op, vandaar die puntjes. Toen ze eenmaal op die koers zat ging ze verder met: “Als zij mij had gezegd dat zij dat een aantijging vond, dan had zich een normale procedure volgens het Reglement van Orde afgewikkeld waarbij ik de spreker verzoek om dat terug te nemen.” Vervolgens vroeg Pauw: “Maar dan had zij dus moeten zeggen ‘mevrouw de voorzitter ik wens niet zo door de geachte afgevaardigde Wilders te worden aangesproken.’” Waarop mevrouw Verbeet antwoordde: “Ja, dat gaat via de voorzitter, dan zou ik die boodschap hebben overgebracht en de heer Wilders verzocht hebben daar iets aan te doen.” Waarop Wouter Bos zei dat hij blij was dat minister Vogelaar dat niet had gezegd omdat dan Geert Wilders daar weer drie dagen publiciteit aan had kunnen ontlenen.

Het gaat om wat er in die puntjes niet door mevrouw Verbeet gezegd is. Waarschijnlijk wilde ze zeggen ‘dan heb ik geen recht om in te grijpen’, maar ze kent het Reglement van Orde natuurlijk heel goed. Dus slikte ze die woorden op het laatste moment in en presenteerde de kijkers met de stelling dat zij een lijdelijke functie heeft en pas kan ingrijpen als iemand zich als beledigde meldt.

Wat staat er echter in artikel 58, lid 2 van dat Reglement:

2. Indien een lid of een minister beledigende uitdrukkingen gebruikt, de orde verstoort, zijn plicht tot geheimhouding schendt of instemming betuigt met dan wel aanspoort tot onwettige handelingen, wordt hij door de Voorzitter vermaand en in de gelegenheid gesteld de woorden die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven, terug te nemen.

Duidelijker kan niet. Deze tekst biedt de voorzitter van de Tweede Kamer geen conditionele ruimte. Nergens staat dat de voorzitter pas kan ingrijpen als iemand te kennen geeft zich beledigd te voelen. Sterker nog, de woorden ‘wordt hij door de Voorzitter vermaand…’ zijn geformuleerd in de gebiedende wijs.  De voorzitter heeft geen keus. De voorzitter kan hoogstens twijfelen of iets wel of niet beledigend is, maar zodra dat is vastgesteld moet de voorzitter ingrijpen. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die menen dat hier geen belediging aan de orde was. Ik ga er echter van uit dat de overgrote meerderheid van de Nederlanders in deze aantijgingen wel degelijk een opzettelijke, doelbewuste beledigende schoffering zien. De door mevrouw Verbeet in dat tv-programma opgeworpen conditionele structuur van het Reglement van Orde is dus onjuist.

Voorts valt er een vraagteken te plaatsen bij haar stelling dat minister Vogelaar niet beledigd was, omdat die zelf te kennen gaf zich niet beledigd te voelen. Dat is net zoiets als bij het zien van een daad van zinloos geweld rustig verder lopen, omdat de aangevallen persoon niet om hulp roept. Wie herinnert zich niet het onthutste gezicht van de minister toen ze tot drie keer toe te horen kreeg dat ze als knettergek werd beschouwd?

Los van de vraag of Pauw en Witteman zich de moeite hadden moeten doen om van te voren even het Reglement van Orde op dit punt na te slaan en mevrouw Verbeet te corrigeren, en eveneens los van de vraag of je de Kamervoorzitter iets moet verwijten als zij, gezellig te gast in een tv-programma, een onjuiste draai geeft aan dat Reglement, gaat het in essentie om iets veel belangrijkers. De voorzitter van de Tweede Kamer is de eerste burger van het land. En het Reglement van Orde van de Tweede Kamer is na de Grondwet het belangrijkste staatsdocument. Wie de orde van de Tweede Kamer beheerst, bepaalt de loop van de staatkundige ontwikkelingen van het land. En niet alleen de staatkundige. Ook de standaarden van waarden- en normbesef. Als de leider van een organisatie toestaat dat zijn medewerkers gasten ontvangen met de voeten op tafel, dan is dat volgens die medewerkers dus de aanvaarde standaard van waarden- en normbesef. Als die leider daarentegen onmiddellijk ingrijpt en zijn personeel leert dat je gasten niet ontvangt met voeten op het bureau, maar hoffelijk en respectvol, dan is duidelijk welk waarden- en normenpatroon er geldt. De voorzitter van de Tweede Kamer heeft als eerste burger van het land geen argument in de stelling dat zij de aandacht zo weinig mogelijk naar haar zelf wil toetrekken door te interveniëren in betogen van Kamerleden. Als daartoe aanleiding is hoort zij dat te doen, steeds weer, onvermoeibaar en onbuigzaam, desnoods elke dag tientallen malen. Het gaat niet om de (aandacht voor) voorzitter, noch om de leden, maar om de kwaliteit van de uitstraling van de institutie Tweede Kamer naar de samenleving. En of een lid van de Kamer bij herhaalde correctie door de voorzitter publicitair garen spint is een overweging van tactiek die de eerste burger van het land in functie van voorzitter van de Tweede Kamer niet past. De voorzitter van de Tweede Kamer laat zich leiden door menselijke wijsheid en staatkundig leiderschap, niet door overwegingen van tactiek en politieke opportuniteit. De politiek krijgt het volk dat het verdient, niet omgekeerd. En de voorzitter van de Tweede Kamer heeft daarin een leidinggevende rol. Mede om die reden zou de voorzitter van de Tweede Kamer en niet de minister-president elke vrijdag met de pers moeten praten.