Bestuur en Beleid Nederland Marktwerking en Marktordening Hoofdstuk 3 - Discussie in de media

Hoofdstuk 3 - Discussie in de media

Marktordening verklaard vanuit het concept van refeodalisering
Voor de derde fase van conceptualisering maak ik gebruik van publicaties van diverse personen in de media. Zoals aangekondigd in Hoofdstuk I neem ik het gedachtegoed van Frank Ankersmit als leidraad. In zijn visies liggen elementen die het genoom van het virus marktordening kunnen ontrafelen, waardoor er een medicijn tegen kan worden ontwikkeld.

Ankersmit schrijft veel over zaken als neoliberalisme, neofeodalisering en neoconservatisme. In die context breekt hij de staf over marktwerking als een van de bedrijfsmatige hypes waarmee de overheid zichzelf in het been schiet. Voor zijn opvattingen over Wolfsons ideeën van de transactiestaat, een voorstelling van zaken waarbij overheid en markt uitruilbaar zijn, verwijs ik kortheidshalve naar de reeds genoemde bundel van de tien plagen van de overheid. Puttend uit enkele andere publicaties van zijn hand zet ik nu een paar begrippen op een rij. Voor de goede orde, die publicaties zijn: Einde verzorgingsstaat is een revolutie, in NRC Handelsblad van 27 november 2007, De ware conservatief laat zich niet gek maken, de neoconservatief gaat over lijken, in NRC Handelsblad van 5 april 2008 en De refeodalisering van de staat, een niet elders gepubliceerde studie die u kunt lezen door hier te klikken. Hierna tussen aanhalingstekens geplaatste letterlijke citaten komen uit deze drie stukken.

Terzijde vermeld ik dat Frank Ankersmit tijdens een conferentie in Leuven over het Franse liberalisme van de eerste helft van de 19e eeuw een voordracht heeft gehouden, waarvan een verkorte versie is gepubliceerd in NRC Handelsblad van zaterdag 3 januari 2009. Hoe hij denkt over het Nederlandse (neo-)liberalisme van de VVD heeft hij in scherpe bewoordingen duidelijk gemaakt in het artikel Neoliberale sufferds in Trouw van 28 februari 2008.

De belangrijkste begrippen conform Ankersmit
Uit de rijkdom van zijn conceptuele voorraadkast beschrijf ik zijn inzichten op het vlak van de Staat, het Liberalisme, het Neoliberalisme, het Conservatisme, het Neoconservatisme, het Feodalisme en het Refeodalisme. Ik meng daar overigens onbekommerd mijn eigen gedachten doorheen.

Terzijde verwijs ik naar een interessant artikel van de hand van Wim Couwenberg in het tijdschrift Filosofie, nr. 2 van 2008, onder de titel Publiek en privaat. De grillige ontwikkeling van een klassiek constitutioneel onderscheid. Hij graaft daarin zeer diep naar de wortels van het klassieke traditionele onderscheid tussen publiek-privaat en behandelt daarin ook elementen van de privatisering van de zorg op ideële gronden, als een lange bestuurstraditie in Nederland. In 1953 wijdde Couwenberg daaraan zijn disseratie onder de titel Het particuliere stelsel. De behartiging van publieke belangen door particuliere lichamen. Dit artikel in Filosofie vormt een verdiepende achtergrond van Ankersmits gedachten over publiek-privaat die hierna aan de orde komen.

Ankersmit ziet de Staat als een bijzonder serieuze zaak. Daarmee, en met de taken van de Staat, moet niet licht worden omgesprongen. De moderne Staat ontstond aan het einde van de Middeleeuwen en nam sindsdien voortdurend in macht en omvang toe. Overigens, zo is zijn zienswijze, voornamelijk onder het regime van liberale gedachten. Anders dan vele anderen ziet hij in de komst van de betrekkelijk recente verzorgingsstaat een revolutionaire breuk met die constante groei van de Staat, omdat die verzorgingsstaat aanleiding is geweest tot overdracht van staatstaken aan anderen dan de Staat. Deze revolutionaire breuk met de eeuwenoude groei van de Staat raakt de fundamenten van hoe wij in de wereld staan, plus onze greep daarop. Het is de Staat die het collectief omvat en als kenbron van begrippen als samenleving, volk, maatschappij fungeert. Niet omgekeerd. Het begrip Staat is zo'n tweehonderd jaar ouder dan maatschappij. Het is de Staat die iets doet met volk en samenleving, allebei concepten die niet zouden bestaan als een begrip als de Staat er niet zou zijn. Zij ontlenen hun zijn aan de aanwezigheid van de Staat. Zonder Staat geen collectieve zingeving.

Het neoliberalisme, met zijn wortels in de boven zijn krachten gegroeide verzorgingsstaat, kiest in een afweging van de vraag wie belangrijker is, Staat of Markt, unilateraal voor Markt. Het ziet de Staat als verouderd en achterhaald. De Markt bezit volgens het Neoliberalisme een kracht die sterker is dan de Staat. In de woorden van Ankersmit: "Waar de Middeleeuwen alle macht legden in de handen van God, leggen onze hedendaagse middeleeuwers - de neoliberalen - die in handen van de markt." Zij kunnen die slag slaan omdat de Staat zelf verzwakt is, niet zelf meer in staat of bereid is om de last van de groeiende taken zelf te dragen.

Maar dat neoliberalisme is noch neo, noch liberaal. In woorden die beter letterlijk kunnen worden geformuleerd: "Het is niet neo omdat de privatiseringsagenda van het neoliberalisme ons terugvoert naar het feodalisme van de Middeleeuwen. Het feodalisme was immers het politieke systeem waar publieke bevoegdheden in private handen lagen. Dat willen de neoliberalen opnieuw invoeren. Voorts, het neoliberalisme is niet liberaal, omdat het liberalisme de strijd met het Ancien Régime juist aanbond in naam van een strikte scheiding van publiek en privaat." Deze tekst verklaart waarom het overdragen van een publieke taak als publieke taak aan een marktpartij, alleen maar problemen kan opleveren. Het liberalisme, met zijn niet-aflatend streven van scheiding van publiek en privaat, is sinds Thorbecke de leidende ideologie die de vorm en inrichting van de Staat heeft bepaald. Staatstaken als Staatstaken in de markt zetten is om die reden volgens de tekening in Hoofdstuk I daaraan wezensvreemd. Afschaffen van Staatszaken niet, noch voormalige Staatstaken niet langer als een publieke taak zien en die vervolgens buiten het beïnvloedingsvermogen van de Staat door een ander laten doen.

Terzijde. In een voortreffelijk artikel in NRC Handelsblad van 12 april 2008 onder de verkeerde kop Links moet zich weer met veel meer nadruk richten op het vraagstuk van de verdeling - die kop had moeten luiden: Nederland zakt in elkaar door het verdwijnen van de middenklasse - legt Thijs Wöltgens (een week later overleden) uit hoe Nederland in het voetspoor van demografische-maatschappelijke-economische ontwikkelingen in Duitsland de middenklasse gaat verliezen onder druk van hervormingen van neoliberale huize. Men hoeft geen sociaal-democraat te zijn om de juistheid van zijn goed onderbouwde visie te herkennen. Wel past de kanttekening dat hij 'de liberale theorie' synoniem lijkt te achten aan 'het neoliberalisme'. Die twee hebben niks met elkaar te maken.

Ankersmit beschrijft het conservatisme als volgt. Alexis de Tocqueville stemde op puur intellectuele gronden in met de beginselen van de democratie, wetend dat het tijd was om afscheid te nemen van het Ancien Régime. Maar zijn hart lag bij de ongebondenheid van zijn aristocratisch bestaan. Dat is volgens Ankersmit de essentie van het conservatisme: het vermogen om zich verstandelijk te verzoenen met het heden en de voorzienbare toekomst, terwijl het hart bij het oude ligt. Dat is daarom volkomen verschillend van reactionairisme, omdat de reactionair meent dat er nog een weg terug is naar het oude. De conservatief - zo stelt Ankersmit - omarmt rationeel en intellectueel het heden, maar heeft het verleden lief. Omdat de conservatief in staat is tegen zijn instincten in te kunnen redeneren, bevooroordeeldheid terzijde te kunnen leggen, is zijn denktrant superieur aan die van anderen. Waarom? Als verstand en ratio de welhaast onmogelijke taak klaren om het hart van zijn ongelijk te overtuigen, dan wordt een prestatie gepleegd die ver uitstijgt boven die van de reactionair die terug wil naar een afgesloten verleden, of boven dat van de revolutionair die vooruit wil naar een toekomst die hem als vanzelf ten deel zal vallen als hij zijn verstand goed gebruikt. Daarom is het conservatisme volgens Ankersmit niet zozeer een politieke ideologie, maar meer een instelling of politieke mentaliteit. En dat geeft ruimte voor een conservatieve liberaal, conservatieve christen-democraat of zelfs een conservatieve socialist.

Ankersmit verbindt deze gedachten als volgt aan het neoconservatisme en het neoliberallisme. Het eerste ziet hij als een ideologische schaamlap waarachter vooral de machthebbers van de Verenigde Staten hun werkelijke bedoelingen verbergen, met name op het terrein van het voor lange tijd veilig stellen van de energiebronnen olie en gas. Overal ter wereld schrapen oliemaatschappijen restjes olie uit moeilijk toegankelijke bronnen en hopen dat de Noordpool, Siberië en Brazilië hen nog even adem geven. Maar ook dat raakt een keer op en sneller dan de doorsnee burger denkt. Ankersmit ziet het neoconservatisme als de ideologische dekmantel voor het wereldwijd ageren van de VS waar nog olie en gas is. Intellectueel stelt het neoconservatisme volgens hem niets voor en het heeft ook niet de pretentie van een doordachte of coherente visie. Het is meer een samenraapsel van ideeën die in de afgelopen twintig jaar ingang vonden - mede gebaseerd op gedachten van Milton Friedman - in het Amerikaanse bedrijfsleven en die met name president Bush omarmt als een bron van zegenrijke politiek. Daar is vervolgens de idee van het neoliberalisme uit voortgekomen, de drive om Staatstaken te outsourcen naar de Markt. Bijvoorbeeld de wijze waarop sommige Amerikaanse defensietaken in Irak en Afghanistan door marktpartijen zijn overgenomen. Maar daarmee is het neoconservatisme nog geen gedragen politieke ideologie. In de woorden van Ankersmit: "Het is een bont en heterogeen allegaartje. En een diepere gedachte moet je er zeker niet achter zoeken, want die is er niet. Politiek-theoretisch is het neoconservatisme een uitdragerij. En met zoiets als het conservatisme heeft het al helemaal niets van doen."

Nu weer terug naar het feodalisme. Bij het afscheid van het Ancien Régime gaf het volk de absolute macht aan zichzelf. "En de cruciale pointe van dit alles is dat ieder gebruik van de macht alleen legitiem kon zijn, wanneer dit via staatsrechtelijk nauwkeurig omschreven kanalen herleid kon worden tot de wil van het volk. Anders gezegd, de macht van de Staat is de macht van het volk; en het is de Staat even weinig gepermitteerd om delen van die macht te vervreemden als om de wil van het volk openlijk te trotseren. Dat zou diefstal zijn van het hoogst en kostbaarst bezit van het volk, meer nog van een bezit waardoor het volk zich als zodanig eerst definieert." Met dit fundamenteel nieuw concept van de verhouding Staat-Volk werd toentertijd afscheid genomen van het feodalisme - de vermenging van publiek en privaat, waaronder het kunnen kopen, verhandelen en overerven van ambten, een feodaal element dat in wezen nog steeds bestaat binnen de Amerikaanse administratie waar men een ambassadeurschap kan 'kopen'. Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om het uitplaatsen van publieke taken naar zelfstandige bestuursorganen, mutatis mutandis, onder diezelfde feodale noemer te plaatsen. Die uitplaatsing en overdracht van een publieke taak als zodanig, is in het licht van de geschiedenis, wegens zijn uitruil van publiek en privaat, een vorm van refeodalisering. Daarenboven zien we in de praktijk bij een aantal van dergelijke manoeuvres dat de directies zich qua bezoldiging en bonussen onmiddellijk gaan vergelijken met het bedrijfsleven, waarna die uitgaven meteen sterk stijgen: net zoals men in het feodale tijdperk van de vorst een ambt kon verwerven om er zich vervolgens zelf rijk mee te maken.

Er is niets op tegen dat mensen rijk willen worden, desnoods schatrijk. De fundamentele vraag is echter of dat mag gebeuren langs de weg van een uitverkoop van Staatstaken die onder het gezag van een ander als Staatstaken verder gaan. Dat is niet meer en niet minder dat refeodalisering en dat zou aanleiding mogen zijn tot een doordachte bezinning op alles wat zich onder de noemer van marktwerking en marktordening voordoet. Het is minder onschuldig of zelfs technisch-operationeel dan men wel denkt. Deze begrippen hebben alles te maken met de vraag wat de Staat is en voorstelt, wat de Staat wel of niet betekent voor samenleving, volk en maatschappij.

Nogmaals, publieke bevoegdheden die een Staat uitoefent in naam van een soeverein volk, mag men niet als publieke bevoegdheid overdragen aan een instantie buiten de Staat. Dat is een herhaling van zetten op het schaakbord van het feodalisme. "Met soevereiniteit mag niet geknoeid en gemorst worden en zeker niet in de mate waarin dat de afgelopen decennia in West-Europese staten gebruikelijk is geworden. Het gevoel voor staatsrechtelijke zuiverheid zijn wij kwijt geraakt - en het gemodder over de relatie tussen de EU en de natiestaat is daar de beste illustratie van." Degenen die zich rekenen tot de vaste lezers van de Jaarverslagen van de Vice-president van de Raad van State herkennen in dit soort overwegingen van Ankersmit dezelfde zorg, hoewel anders geformuleerd, over het eroderen van kennis en inzicht binnen het vigerende politieke systeem over het wezen van de Staat. Zo zegt Tjeenk Willink onder meer in zijn inleiding bij de presentatie van het Jaarverslag 2007 in NRC Handelsblad van 9 april 2008: "De combinatie van twee elementen uit twee verschillende ordeningsprincipes leidt ertoe dat de normatieve aansturing (noodzakelijk vanuit het bureaucratische ordeningsprincipe) wordt verzwakt of zelfs verwaarloosd én dat risico's (eigen aan het bedrijfsmatige ordeningsprincipe) zoveel mogelijk worden uitgesloten. Aldus resteert een ricicomijdend systeem zonder aansturing en zonder creativiteit, maar met een eigen dynamiek: de bureaucratisch-bedrijfsmatige logica." In de woorden van Ankersmit: "Dit is wat Thorbecke zo na aan zijn liberale hart lag en waardoor de schrik hem om dat zelfde liberale hart geslagen zou zijn, als hij de hedendaagse privatiseringsideologen aan de slag had gezien. Zijn oordeel was hard geweest: dat is een refeodalisatie van de Staat, een uitverkoop van de soevereiniteit en een terugkeer naar de dagen van de belastingpachter en de contracten van de correspondentie. Hij had daarin gelijk gehad: alles wat wij tot voor kort zagen als de verwerpelijke misbruiken van het Ancien Régime wordt nu onder neoliberaal gejuich weer binnengehaald."

Ankersmit gaat ook in op de vraag hoe het nou toch komt dat politici de overdracht van publieke taken aan zelfstandige bestuursorganen zoveel positiever beoordelen dan objectieve buitenstaanders. Hij concludeert dat dergelijke organen een belang bevorderen dat politici wel zien, maar dat voor die buitenstaanders en burgers onzichtbaar blijft. Daaruit leidt hij af dat de Staat via het politieke apparaat een eigen belang genereerde dat zich losmaakte uit het publieke of algemene belang waar de Staat dienstbaar aan hoort te zijn. Aldus perverteren die zelfstandige bestuursorganen niet alleen het algemeen belang, doordat het eigenbelang met het publieke belang gaat interfereren, maar zij infecteren ook de Staat zelf met het virus van het institutionele eigenbelang. "Een eigenbelang dat zich als een privébelang plaatst naast, en zelfs tegenover het publieke belang en vloekt met de logica van de representatieve democratie omdat de Staat nu voor zichzelf een domein afbakent dat zich onttrekt aan democratische controle." Dat is in de ogen van Ankersmit een duidelijk teken van een zwakke Staat. "Drie dingen horen steeds bij elkaar: 1) een zwakke Staat, 2) de behoefte aan privatisering van delen van de Staat en 3) een Staat die een niet publiek, privébelang ontwikkelt." Anders geformuleerd: degenen die zo graag praten over 'de overheid als marktmeester' spelen met vuur omdat deze metafoor in de praktijk een uitholling van de Staat voorstelt, die daarenboven de echte markt op zijn kop zet. Dubbelop fout. Want was niet juist de verzwakking van de Staat en een toenemend onvermogen om politieke problemen in de politieke arena op te lossen de basis van de toenmalige feodalisering? Een proces dat volgens mij begonnen is met het kabinet Den Uyl toen onder aanvoering van de minister van Justitie, Dries van Agt, elk politiek probleem niet in de Kamer werd opgelost maar doorgeschoven naar de rechter. Denk aan bijvoorbeeld staken, kraken, abortus, commerciële omroepen.

Buiten de Staat kopieën van de Staat oprichten is de illusie scheppen van een sterke Staat die in wezen daarmee zijn zwakte aantoont. "Na anderhalve eeuw omgang met de liberale Staat zijn wij die als een vanzelfsprekendheid gaan bezien en daarom blind geworden voor hoezeer de ideologie van privatisering en van vermarkting een ondergraving is van de liberale Staat en voor hoezeer die ideologie ons terugvoert naar de Middeleeuwen." Om die reden is de door het neoliberalisme aanbevolen overdragen van publieke taken aan 'de markt' in strijd met de met veel pijn en moeite bevochten overwinning op het feodalisme en op het in de private sfeer brengen van zaken die tot de publiek orde behoorden.

Het is in het licht van deze beschouwingen dat men mijn suggestie aan het slot van Hoofdstuk II moet zien: laten Economische Zaken, het Centraal Planbureau en de Sociaal-Economische Raad maar eens een gezamenlijk advies uitbrengen over marktwerking c.a. Maar dan wel ingebed in een visie over de Staat vanaf de Middeleeuwen. Daarbij mag men niet vergeten dat de moderne Staat zijn wezen ontleent aan de scheiding tussen publieke en private taken, de grondslag van het democratisch bestel. Waar de publieke orde, zoals nu steeds meer het geval is, zich opstelt als hoeder van de private orde, en zich op die manier nestelt in die private orde, bewegen we ons op het vlak van de refeodalisering en lijkt optreden tegen verder afglijden geboden. De vraag is echter of de drie genoemde organen, die nagenoeg op hetzelfde moment begin 2008 uitspraken deden over marktwerking, in staat zijn een gezamenlijk advies op dit niveau van denken te componeren. Dit is niet spottend of sarcastisch bedoeld. Wie zich, zoals bijvoorbeeld hoogleraar bestuurskunde Jouke de Vries in de bundel van de tien plagen van de staat, bewust is van de eroderende effecten van de managementstaat - een van de andere uitwassen van het (via de neoliberalisering) introduceren van bedrijfsmatige concepten in de overheid - op de inhoudelijke kennis weet dat de Staat en zijn aanpalende onderdelen een groot gebrek aan kennis en nadenkend vermogen hebben. Bijna iedereen is aan het managen geslagen of brengt een groot deel van zijn tijd door in vergaderingen van managementteams. De inmiddels overleden voormalige secretaris-generaal van Algemene Zaken, Ad Geelhoed, luidde al medio jaren negentig op dit punt de alarmbel. En Herman Tjeenk Willink, vice-president van de Raad van State, zwaait dezelfde klepel ook minstens vier-vijf keer per jaar met vaste hand tegen de rand. En zelfs als kennis, zoals hierboven op een vereenvoudigde manier verhaald, in de administratie aanwezig zou zijn, dan nog lopen ambtenaren die hun gedachten op dat niveau willen ordenen het risico van hun managers te horen 'Zo schrijven wij hier niet.' Maar over die managers zal ik het hier niet hebben. Dat komt een andere keer.

Andere auteurs aan het woord
De media berichtten de afgelopen jaren, en zeker sinds de invoering van marktwerking in de zorgsector, regelmatig over de manier waarop de politiek, de wetenschap en de belangengroepen daarop reageren. Ik concentreer me op enkele observaties rond het verschijnen van het in Hoofdstuk II besproken Onderzoek Marktwerking van Economische Zaken in februari 2008. De Volkskrant en het NRC Handelsblad noteerden daarover opmerkingen van Coen Teulings, directeur van het Centraal Planbureau. Samengevat komen die hier op neer: 'De marktwerking werkt in grote lijnen, in sommige sectoren echter nog niet goed genoeg, met name niet in die van de zorg, en wat dat betreft doet de regering er goed aan de marktwerking in de zorg verder uit te breiden.' Het komt in dat denkraam niet op dat er nog een andere mogelijkheid is als iets niet goed blijkt te werken, namelijk afschaffen.

Dezelfde boodschap lezen we in het artikel Er is nooit gezegd dat het geen pijn zou doen, een interview met de economen Barbara Baarsma en Jules Theeuwes in NRC Handelsblad van 8 maart 2008. Het is een interview, geen eigen geschrift, dus we moeten de sprekers met enige voorzichtigheid bejegenen. Het artikel mist diepgang en systematiek. Trefzekere opmerkingen worden overschaduwd door te algemene beweringen die geen recht doen aan de noodzaak om marktwerking niet als een containerbegrip te zien, maar als iets dat in zeer specifieke omstandigheden kan werken en in andere juiste helemaal niet. Nemen we bijvoorbeeld de volgende zin: "Zodra vroegere overheidsbedrijven met concurrentie geconfronteerd worden, zoals KPN of de luchtvaart, gaan ze efficiënter werken." Dat is juist. Toch ontbreekt hier iets. Namelijk de notie dat die concurrentie zich in die twee sectoren kon gaan voordoen doordat de overheid afzag van haar publieke taak en deze ging overlaten aan de markt als een niet-langer-publieke taak. Dan, en alleen dan, is er sprake van werking van de markt in de zin van het zoeken van een balans tussen vraag en aanbod via de prikkels van de concurrentie die langs de weg van creativiteit en innovatie meer keuzevrijheid en lagere prijzen opleveren. En dat mechanisme werkt wel in de ene sector en niet in de andere. Het niet herkennen en erkennen van dat onderscheid, en marktwerking zien als iets dat in elke markt kan werken als je er maar genoeg markt tegenaan gooit, is wellicht de grootste fout die men de ideologen van de markt kan toeschrijven.

Daarom is het correct dat de twee economen opmerken dat per sector moet worden gekeken wat de markt wel of niet aankan. Ze verwijten politici terecht dat die verzuimen van tevoren essentiële vragen te stellen. Zonder dat ze dit met zoveel woorden zeggen bedoelen ze daar volgens mij de twee vragen mee die ik in Hoofdstuk I formuleerde: wanneer marktwerking en hoe marktwerking? Een zwakte is echter dat deze twee geïnterviewde economen niet op eigen kracht tot de conclusie komen dat een sector als bijvoorbeeld die van de zorg zich niet leent voor marktwerking en daar dus weer snel afgeschaft moet worden. Trefzeker wordt dat wel verwoord door Th. van de Ven in de Volkskrant van 29 maart 2008 in een ingezonden brief onder de kop Alleen bij jam en kaas werkt vrije markt. Die titel zegt voldoende. Al met al is de kern van de gedachten van Baarsma en Theeuwes dat sommige markten nog niet goed werken, maar dat met verdere doorvoering van de marktwerking alles wel in orde zal komen. Zij zijn dan ook voorstanders van marktordening, verwoord als gereguleerde concurrentie, om de kosten in de zorg in de hand te handen. Nogmaals, er is niets op tegen om die kosten te willen beheersen, maar noem het niet marktwerking. En omdat verdere marktwerking in de zorg een voorbeeld is van de marsroute der grote fouten zullen de problemen in die sector alleen maar toenemen.

Ook Frank Kalshoven, gerenommeerd columnist van de Volkskrant, bemoeide zich ermee. In de Volkskrant van 26 maart 2008 onder de titel Wederopstanding van de marktwerking en van 29 maart 2008 als deel 2, pakt hij stevig uit tegen iedereen, maar met name tegen Evelien Tonkens, die zich tegen marktwerking keert. De eerste column sluit hij zelfs af met de woorden: "Dat anti-marktgebral is stomvervelend." Dat hij het onderzoek van EZ, en Teulings' observaties daarover, tamelijk positief interpreteert vind ik geen bezwaar. Maar uitgerekend Kalshoven, van wie gezegd mag worden dat zijn artikelen een wezenlijke bijdrage leveren aan verdieping van talloze moeilijke overheidsdossiers, maakt geen onderscheid tussen marktwerking die onder bepaalde omstandigheden in bepaalde sectoren kan werken, en marktordening (ook hij spreekt van gereguleerde marktwerking) die nooit zal werken en uit de aard van zijn verkeerde positionering alleen maar problemen oplevert. Bij zijn toelichting op de stelling dat marktwerking in Nederland altijd gereguleerde marktwerking is, omdat ook bij de productie van pindakaas overheidsregulering komt kijken, mist hij het onderscheid dat de overheid zich daar niet als dominante partij opstelt, maar als een flankerende die de randvoorwaarden formuleert waarbinnen de markt zelf zijn prijs-kwaliteitmechanisme kan laten draaien. Dus daarom werkt het. Maar de heer zal ons bewaren als de overheid meent de markt van de pindakaas zelf te moeten gaan ordenen met prijsstellingen, levervoorwaarden, quota per bedrijf enzovoorts. Dan - en dat gebeurt dus in de zorg - stelt die overheid zich als dominante partij op en produceert alleen maar wat de spreekwoordelijke olifant in de porseleinkast produceert: brokken. Graag zou ik zien dat Kalshoven voor dit onderwerp het format van de column verruilt voor een of meer paginagrote artikelen. Hij heeft hierover veel meer te vertellen dan wat hij in zijn columns kwijt kan.

Marc Chavannes behandelt deze materie anders dan zijn collega Kalshoven. In NRC Handelsblad van 29 maart 2008 schrijft hij in zijn column Aan de vleeshaken van het marktdenken: "Het is hoog tijd dat de politiek opnieuw vaststelt wat de taken van een fatsoenlijke overheid zijn. Die goed doen en ophouden met alle publiek-private begripsverwarring. De markt is prachtig voor concurrerende producten. Maar niet voor ziek-zijn, politie, onderwijs, waterbeheer, ruimtelijke ordening, voedselveiligheid." Het is treffend dat Chavannes in nagenoeg alle daarna verschenen columns de (beweerde) marktwerking kritisch benadert.