Staatkundige beschouwingen Vlaanderen Brussel-Halle-Vilvoorde (1)

Brussel-Halle-Vilvoorde (1)

door Leo Klinkers (11-09-2007)

Voor zowel Walen als Vlamingen is de titel van deze bijdrage een duidelijk begrip in de context van het communautaire debat in België. Nederlanders weten doorgaans niet waar het over gaat, laat staan dat ze de ruim honderdjarige geschiedenis daarvan kennen. Omdat het de vorming van een nieuwe federale regering ernstig hindert zet ik de achtergronden daarvan kort uiteen. Hopelijk zonder tekort te doen aan de complexiteit van dit onderwerp.
In de aanloop naar de federale verkiezingen van 10 juni 2007 beheersten twee zaken van hoog constitutioneel gehalte de verkiezingsstrijd. In de eerste plaats de alsmaar toenemende aandrang vanuit Vlaanderen om het proces van federalisering verder door te trekken. Dat betekent: meer bevoegdheden van de federale overheid overhevelen naar de gewesten Vlaanderen en Wallonië. Tegelijk wenst Vlaanderen een grotere transparantie en verantwoording van Wallonië voor de vele miljarden die Vlaanderen in het economisch minder sterke Wallonië stopt, de zogeheten transfers. Bij verdergaande federalisering spelen echter twee grote vragen: wat blijft er dan over van het pakket van bevoegdheden van de federale overheid en gaat die federalisering via een confederaal model mogelijk leiden tot een splitsing (en daarmee opheffing) van het land? In Deel B van dit artikel ga ik verder op deze vragen in.

DEEL A: B+H+V

Ik concentreer me in Deel A op het tweede onderwerp dat sinds jaar en dag bij elke regionale of federale verkiezing hoog opspeelt: de problematiek van Brussel, Halle, Vilvoorde. Meestal aangeduid als: B+H+V of BHV.

hv_logo 

Halle ligt aan de zuidwestrand, Vilvoorde aan de noordoostrand van Brussel. Samen liggen ze in het hart van de provincie Vlaams-Brabant, van oudsher een geheel Nederlandstalige1 provincie.

De instelling van een taalgrens
Tot de jaren zeventig van de 19e eeuw gold de fictie dat België in principe eentalig Frans sprak. Ook al spraken Vlamingen Nederlands, in de communicatie tussen overheden en burgers was Frans de voertaal. Dat veranderde geleidelijk vanaf 1878. Er werd een taalgrens ingesteld. Vlamingen kregen – alleen in Vlaanderen – het recht om zich ook in het Nederlands tot overheden te richten. Een door het ministerie van Binnenlandse Zaken opgestelde lijst van Nederlandstalige gemeenten doorbrak voor het eerst formeel de Franstalige communicatie met overheden.

Echter, die taalgrens kende geen vaste geografische lijn. Telkens, na tienjaarlijkse volkstellingen, kon het gebeuren dat kwantitatieve migratie van enige omvang door Franstaligen naar Nederlandstalig gebied, en vice versa, leidde tot aanpassing van de taalgrens. Zij was niet stabiel.

Stabilisering van de taalgrens
Na de Eerste Wereldoorlog emancipeerde een brede Vlaamse beweging. Dat was het begin van een groot en nog steeds voortdurend debat over de vraag ‘Waar gaat het met België naar toe?’ Dit leidde tot enkele nieuwe taalwetten, waarbij twee opties speelden:

• Het hele land principieel tweetalig maken, een idee dat de meerderheid van de Vlamingen omarmde.
• Of kiezen voor verdergaande territorialisering: de eentaligheid aan beide zijden van de taalgrens handhaven, maar met uitbreiding van het aantal Nederlandstalige gemeenten. Dat was de optie van de Franstaligen en die won.

Zij vormde het leidende motief voor de inhoud van nieuwe taalwetten toen na de Tweede Wereldoorlog de behoefte groeide om de taalgrens voor eens en voor altijd vast te leggen. Men was de schommelingen van die grens tijdens het interbellum moe. De directe aanleiding om in de jaren zestig tot een stabilisering van de taalgrens te komen was een door Vlaamse burgemeesters geïnitieerde boycot van de volkstelling omdat men in daarin een ‘verfransingsmachine’ zag.

Deze bestuurlijke ongehoorzaamheid, met de eis om de talentelling binnen de volkstellingen te schrappen, leidde na een advies van een comité van professoren en politici in 1962 tot de vaststelling van een gefixeerde taalgrens. Met niet geringe verschuivingen in de gebieden van West-Vlaanderen, Henegouwen en de Voerstreek. In 1970 werd die grens grondwettelijk verankerd.

De kaart laat zien dat de taalgrens betrekkelijk horizontaal onderlangs Brussel loopt van de Westhoek naar Maastricht.

Taalgebieden 

Bij die gelegenheid kregen zes gemeenten op de rand van Brussel faciliteiten voor Franstaligen. Dat zijn de zogeheten faciliteitengemeenten. Franstaligen aldaar kunnen het gemeentebestuur vragen om in hun taal bediend te worden. Terzijde: een aantal jaren geleden heeft de toenmalige Vlaamse minister Leo Peters, nu burgemeester van Kapelle-op-den-Bos, door middel van rondzendbrieven – wat wij in Nederland een vorm van circulairewetgeving zouden noemen – het facilitaire karakter in een voor de Franstaligen moeilijkere vorm aangepast. Dat steekt die Franstaligen, nog steeds, en het vormt in de marge van dit dossier een extra pijnpunt.

Situatie vanaf medio jaren zestig
Sinds de stabilisering van de taalgrens in de periode 1962-1970 is de situatie ongeveer als volgt. Er zijn X gemeenten waar de overheid eentalig in het Frans communiceert. Er zijn Y gemeenten waar de overheid eentalig in het Nederlands communiceert. Er zijn zes gemeenten die Nederlandstalig zijn, maar waar Franstaligen aanspraak maken op Franstalige communicatie, de zogeheten faciliteitengemeenten. Daarnaast bestaat Brussel zelf uit 19 gemeenten die principieel tweetalig zijn, maar waar de praktijk doorgaans – wegens het stelselmatig werven van Franstalige ambtenaren – eentalig Frans is. Terzijde: dit heeft te maken met het bestaan van twee ambtelijke stelsels in België. Men kent de contractuele en de statutaire ambtenaren. Voor het aantrekken van de contractuele geldt niet de stringente voorwaarde van tweetaligheid. Dat vormt een ‘sluipweg’ waarlangs die gemeenten gemakshalve Franstalige ambtenaren werven. Duitstalige gemeenten hebben faciliteiten in een beperkt aantal Franstalige, terwijl Franstaligen faciliteiten genieten in alle Duitstalige gemeenten.

De valkuil
Per saldo vormt de keuze van de Walen voor de bovengenoemde tweede optie niet alleen de grondslag voor de eentaligheid van de Vlaamse gemeenten, maar tegelijk ook een grote valkuil waar ze zelf instapten. En nu zijn ze wanhopig op zoek naar een ladder om eruit te geraken. Die valkuil zit als volgt in elkaar, in de (door mij gefingeerde) woorden van een Vlaming richting een Waal die zich in een Nederlandstalige gemeente vestigt: “U koos voor het territorialiteitsbeginsel, dus u wenste eentaligheid aan beide zijden van de taalgrens. Dat was niet ons idee, maar het uwe. Welnu, u woont in een Nederlandstalige gemeente, dus de communicatie tussen u en de overheid verloopt in het Nederlands. U kunt geen aanspraak maken op een Franstalige bediening. Vindt u dat niet leuk? Jammer, dikke bult, eigen schuld.”

In plaats van dit te accepteren blijven Franstaligen in de praktijk in groten getale het personaliteitsbeginsel hanteren. Dat houdt kort en goed in dat zij van mening zijn dat ze overal in België in hun contact met overheden in het Frans bediend moeten kunnen worden. Deze door de Walen zelf gecreeerde botsing van personaliteitsbeginsel en territorialiteitsbeginsel markeert minder een juridische dan wel een psychologische kloof tussen beide bevolkingsgroepen. En tegelijk ook een duiding van zeer verschillend gedrag. Als een Vlaming naar een Franstalige gemeente verhuist, dan neemt hij het territorialiteitsbeginsel in zijn hart mee en past hij zich aan aan de taal van zijn nieuwe territoir: Frans. Een Franstalige daarentegen blijft meestal ageren vanuit het personaliteitsbeginsel en verlangt dat het nieuwe territoir zich aan hem aanpast. Tegelijk demonstreert dat verschil in gedrag een uiting van misplaatste superioriteit versus evenzeer misplaatste inferioriteit. Dat zit echter verankerd in het basisdenken van beide bevolkingsgroepen. Dit verklaart ook waarom een van oorsprong geheel Nederlandstalig Brussel na de Tweede Wereldoorlog allengs verfranste. Door de aanwezigheid van het Franstalige koninklijk hof en dito adel, verfranste de hogere burgerij en daarna de midden- en lagere klassen. Voordien was het Brusselse ‘gewone volk’ Brabants. Tegen deze achtergrond moet u de nu te bespreken problematiek van BHV begrijpen.

De kern van de problematiek BHV
Nu wordt het ingewikkeld. Tussen 1970 en 2001 is België in vier staatshervormingen getransformeerd van een eenheidsstaat in een federale staat. De territorialisering (lees: eentaligheid aan weerszijden van de taalgrens) kon niet anders dan uiteindelijk uitmonden in een federalisering van de staat: een opdeling van het land in deelstaten, elk met een eigen soevereiniteit, naast die van het overkoepelende federale gezag. Een superieure staatsvorm voor een land waar de daarin opgesloten bevolkingsgroepen weinig met elkaar te maken hebben of willen hebben. Als de Franstaligen in de jaren dertig de optie van tweetaligheid in het hele land hadden aanvaard, zou die federalisering vanaf de jaren zeventig waarschijnlijk nimmer hebben plaatsgevonden.

Hoe dat ook zij, we praten hier over een constitutionele hervorming die zijn weerga niet kent. Sommigen oordelen denigrerend2 over het bestaan van zes parlementen met dito regeringen en aanverwante organen, maar een feit is dat het federale systeem een staatkundige afspiegeling is van de in België geldende menselijke maat. Bovendien heeft het Vlaanderen tot grote economische voorspoed gebracht.

In 1962 werd de vaste taalgrens vastgelegd, en werden de meeste provinciegrenzen daar ook aan aangepast. Alleen het centrale Brabant, met daarin de hoofdstad Brussel, bleef te paard zitten op de taalgrens. Dat leidde tot een onbestuurbare provincie. In 1995 werd het oude Brabant daarom gesplitst in twee nieuwe provincies: Vlaams-Brabant en Waals-Brabant. Brussel valt sindsdien buiten de provinciale indeling, omdat de 19 gemeenten die er deel van uitmaken al een stadsgewest vormen (het ‘Brussels Hoofdstedelijk Gewest’).

De oude provincie Brabant telde drie kiesdistricten: Waals-Brabant, Leuven en Brussel-Halle-Vilvoorde. Bij de opdeling van de provincie rees verzet aan Franstalige kant tegen de opsplitsing van die laatste kieskring voor federale verkiezingen. Dat verzet had vooral te maken met de migratie van veel – gegoede – Franstaligen naar de groene rand om Brussel, en dus naar de ‘faciliteitengemeenten’ of ook naar officieel eentalig Nederlandse gemeenten in dat kiesdistrict. Franstaligen die voor hun eigen Franstalige partijen en dito kopstukken wilden blijven stemmen.

Daar komt het volgende bij. In 2003 heeft de regering Verhofstadt de kiesdistricten opnieuw ingedeeld waardoor die samenvallen met de provincies aan Waalse en Vlaamse zijde. Bij die gelegenheid heeft sterke Franstalige weerstand andermaal voorkomen dat BHV werd opgesplitst in een Brussels gewest dat constitutioneel tweetalig zou zijn, en een eentalig Vlaams kiesdistrict Halle-Vilvoorde, met faciliteiten (in zes randgemeenten van de Brusselse agglomeratie) voor de Franstaligen. Anders gezegd: men had toen Vlaams-Brabant, conform de indeling van de andere kiesdistricten, tot één district kunnen maken, behoudens Brussel. Maar dat is dus door de Franstalige oppositie, bevreesd als men was voor aanzienlijk verlies van kiezersvolk, niet gelukt. Terzijde: bij een splitsing van BHV in het dan ontstane eentalige kiesdistrict H+V zouden de Franstaligen zonder enig wettelijk beletsel politieke lijsten kunnen indienen en campagnes kunnen voeren; dat is nochtans voor de Franstaligen geen overweging om het verzet tegen de splitsing op te heffen.

Wat is nu de situatie? Kijken we naar de gemeentelijke indeling binnen Brussel-Halle-Vilvoorde dan hebben we het over één kieskring die niet samenvalt met de provinciegrens, en die bestaat uit de 19 gemeenten van het Brusselse gewest (een van federale deelstaten) en 35 Vlaams-Brabantse gemeenten, waaronder de eerder genoemde 6 faciliteitengemeenten. In al die gemeenten kunnen de Franstalige inwoners dus op Franstalige politici stemmen bij verkiezingen van Kamer, Senaat en Europese parlement. Dat stoort de Vlamingen in bijzondere mate, omdat de tweetaligheid van Brussel op die manier bezit heeft genomen van oer-Vlaamse gemeenten. Terzijde: de andere kieskring in de provincie Vlaams-Brabant is het Nederlandstalige Leuven.

Juridisering van een politiek probleem
En wat gebeurt er als politici er niet in slagen om een politiek probleem op te lossen in de politieke arena? Welnu, België is niet anders dan Nederland: dan schuift men het door naar het bureau van de rechter. Dat vond niet alleen plaats in het dossier van de nachtvluchten boven Brussel en omgeving, als gevolg waarvan de overheid miljoenen euro's schadevergoeding moet betalen aan actiegroepen, maar ook in het dossier BHV.

Het Constitutionele Hof 3 heeft namelijk in 2005 geoordeeld dat het indertijd gecreëerde BHV haaks staat op het principe van gelijkheid van en voor de Belgische burger. Met BHV is volgens het Hof sprake van discriminatie door schending van de taalkundige integriteit van het kiesdistrict. Immers, in plaats van samenvallen van één kiesdistrict met één provincie is sprake van twee districten (Leuven en BHV) waarvan BHV ook nog eens niet eentalig Vlaams is. Echter, het Hof heeft hiermee alleen maar een veroordeling van deze situatie uitgesproken, niet tevens aangegeven op welke manier die schending zou moeten worden opgelost.

De favoriete oplossing van veel Vlamingen is splitsing. Maar wat houdt ‘splitsing van BHV’ eigenlijk in? Bij deze oplossing vormen alle Vlaamse gemeenten van die kieskring gewoon samen met de kieskring Leuven één provinciale kieskring, conform de regeling in alle andere provincies. De 19 gemeenten van het Brussels Gewest vormen dan een – tweetalige – aparte kieskring. Waals-Brabant vormt al een aparte kieskring, en geen enkele Waalse gemeente maakt deel uit van BHV.

Splitsing4 van BHV is overigens maar één van de mogelijke oplossingen. Een andere – juridische – optie voor de oplossing van BHV, zou een terugkeer zijn naar de vele kleinere kieskringen uit het verleden. Dat zou betekenen dat de door het Constitutioneel Hof aangeklaagde uitzonderingstoestand, waarbij alleen in Vlaams-Brabant de kiesindeling niet samenvalt met de provinciale indeling van het land, vervalt. Maar zo’n terugkeer naar het verleden, die geen enkel signaal inhoudt dat Vlaams-Brabant integraal tot het Nederlandse taalgebied hoort, is voor zowat alle Vlaamse politici zeer moeilijk aanvaardbaar.

Waarom speelt deze materie nu zo sterk bij juist deze regeringsformatie? Tot aan de uitspraak van het Constitutionele Hof was er steeds de mogelijkheid om het probleem naar de toekomst door te schuiven. Nu kan dat niet meer. Het Hof heeft namelijk ook beslist dat ‘de oplossing’ uiterlijk in 2007 gevonden moet zijn. Dat impliceert dat de huidige partijen eruit moeten komen omdat er ook geen nieuwe verkiezingen mogen plaatsvinden. Want dat zou in strijd zijn met het oordeel van het Hof. Dus linksom of rechtsom, binnen 2007 moet er een oplossing voor B+H+V gevonden worden.

DEEL B: DE FEDERALISERING
In dit deel bespreek ik de vraag: in welke richting lijkt de Belgische federale staatsvorm te evolueren?

Verdergaande federalisering
Gemeten naar de politieke stand van zaken in september 2007 lijken er maar twee evolutierichtingen mogelijk:

• men lost het probleem BHV (al dan niet voorlopig) op, inclusief een verdere federalisering conform de Vlaamse eis om meer zelfstandige bevoegdheden te krijgen,
• of men lost het probleem BHV op met een gelijktijdige staatkundige hervorming, waarbij het federale model overgaat in een confederale staatsvorm. Dat laatste impliceert niet alleen de door een meerderheid der Vlamingen gewenste splitsing van BHV, maar ook de door 40% van de Vlamingen verlangde splitsing van de staat.

Omdat recente peilingen wezen op die 40% pro splitsing van de staat, heeft het Vlaams Belang op 10 september 2007 in het Vlaamse parlement een motie ingediend om een referendum te organiseren over de vraag of een meerderheid der Vlamingen voor een beëindiging van de staat België is. Alle andere politieke partijen gaven daarentegen te kennen vooralsnog het pad van de verdergaande federalisering te willen nemen via nieuwe staatshervormingen. Dus dat referendum heeft het (toen) niet gehaald. Mocht dat er toch ooit komen, en zou dan meer dan 50% voor een splitsing van de staat zijn, dan zou dat een politiek feit zijn zonder weerga. Het zou namelijk niet alleen het einde van de staat België betekenen, maar ook die van het koningshuis.

Op dit moment lijkt verdergaande federalisering waarschijnlijk de meest voor de hand liggende optie. De splitsing van de staat is een stap die men niet, of nu nog niet, wil zetten. Die visie vindt men ook in het interview met Rick Coolsaet, hoogleraar internationale politiek aan de Universiteit te Gent en directeur van het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen Egmont, in NRC Handelsblad van 8 september 2007. Goed beargumenteerd wijst hij een scenario van de zogeheten ‘verdamping’ van België van de hand.

Ook de Vlaamse minister-president Kris Peeters (sinds twee maanden de opvolger van Yves Leterme die als MP opstapte om zich geheel aan de federale verkiezingen van 10 juni te kunnen wijden) uit zich daarover in heldere taal in NRC Handelsblad van 5 september 2007. Peeters kiest voor meer regionale bevoegdheden, dus voor verdergaande federalisering. Tegelijk formuleert hij kernachtig de rol en positie van de federale staat versus de deelstaten. Ik citeer: “Sommigen gaan er nog steeds van uit dat de deelstaten rond de federale zon draaien, maar dat is achterhaald. Anno 2007 horen de deelstaten centraal te staan, waaromheen een federatie zou moeten staan die zich dienstbaar opstelt.” En dan komt het: hij  ziet als overblijvende kerntaken voor de federale overheid het beleid inzake defensie, buitenlandse politiek, monetair beleid, algemene belastingzaken, justitie en grensoverschrijdend energiebeleid. De kern van Peeters’ zienswijze is een opwaardering van de soevereiniteit van de deelstaten en een herpositionering van de federale overheid van een directieve naar een facilitaire organisatie. Maar met instandhouding van de Belgische staat als zodanig. Terzijde: de journalistieke samenvatting van het gesprek met minister-president Peeters lijkt overigens op één punt iets te nauw door de bocht. Het lijkt erop dat hij de buitenlandse politiek weer zou willen concentreren op centraal niveau, terwijl op dit moment het Waalse en Vlaamse gewest, naast de federale overheid, een aantal eigen diplomatieke vestigingen in de wereld hebben, waaronder Nederland (zie de website van de Vlaamse vertegenwoordiging) In andere kranten heeft Peeters duidelijk aangegeven dat Vlaanderen zijn eigen buitenlands beleid moet kunnen blijven voeren.

Confederalisering
Een groot aantal mensen acht het echter denkbaar dat een proces van voortschrijdende federalisering uiteindelijk leidt tot een onafwendbare splitsing van de staat zelf. Dan ontstaat een zogeheten confederale staat waarvan de delen niet langer door een gemeenschappelijke grondwet bijeen worden gehouden, maar door een verdrag. Een van de kenmerkende aspecten van zo’n staatkundige vorm is het gegeven dat elk onderdeel op elk gewenst moment zelf kan beslissen om eruit te stappen. In een federaal model kan dat niet. De soevereiniteit van het geheel én van de delen van een federatie impliceert dat opstappen alleen kan als iedereen het daarmee eens is. Tegelijk vormt deze staatsrechtelijke werkelijkheid het allerbelangrijkste obstakel om ooit tot een confederatie te komen. Dat kan namelijk alleen maar als Wallonië daarmee instemt, en dat zou haar politiek-economische ondergang zijn, tenzij …… iemand in staat is de stap naar een confederatie te voorzien van een zodanige meerwaarde dat Wallonië erin meegaat. Daarover straks meer.

Ik schakel eerst even terug naar de zojuist besproken observaties van minister-president Peeters. Het opmerkelijke van zijn opsomming van kerntaken voor de overkoepelende federale overheid is het feit dat die lijst inhoudelijk sterk lijkt op het zeer beperkte pakket van bevoegdheden van een ‘centrale’ regering bij een confederaal model. Alleen noemt Peeters het niet zo. De Statenbond – een confederaal model – van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van 1581 zag er ook ongeveer zo uit. Hij had waarschijnlijk niet in de gaten dat hij hier strikt genomen een confederale regering beschrijft.

Over een confederaal model waarbinnen Wallonië zou kunnen gedijen wordt al druk gespeculeerd. Onder de auteurs neem Wim Couwenberg, emeritus hoogleraar staats- en bestuursrecht en directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi, een bijzondere plaats in. In het verlengde van een aantal door hem als schrijver en redacteur uitgebrachte publicaties over de relaties tussen Nederland en Vlaanderen zet hij zijn ideeën in NRC Handelsblad van 28 augustus 2007 als volgt uiteen. Een strikt Belgische confederatie acht hij niet realistisch. De geringe politiek-economische levensvatbaarheid van Wallonië zal altijd op een veto stuiten van de Walen. Maar een Belgisch confederaal model binnen een confederatie van een grotere territoriale omvang is in de ogen van Couwenberg wel mogelijk. In 2008 eindigt na vijftig jaar het huidige Benelux verdrag. Al enige jaren houden politieke, ambtelijke en wetenschappelijke kopstukken zich bezig met de vraag: en wat dan met de Benelux? Ooit opgericht voor het realiseren van economische doelen kan dat niet langer een motief zijn nu de Europese Unie daarin ruimschoots voorziet. Een nieuw motief voor een voortbestaan of heroprichting van de Benelux is gelegen in de onevenwichtigheid van de politieke machtsverhoudingen binnen de Unie. Spelers als Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hebben aanzienlijk meer te vertellen dan de kleinere lidstaten. Door de uitbreiding, gevoegd bij de herverdeling van commissariaten en andere belangrijke posten, neemt die invloed verder af.

Tegen die achtergrond moet men begrijpen waarom Couwenberg het idee lanceert om een confederaal samenwerkingsverband te smeden van Nederland, Vlaanderen, Wallonië, het Brussels hoofdstedelijk gewest en Luxemburg. Dat zou in zijn visie niet alleen het antwoord zijn op de vraag naar de toekomst van de Benelux, maar ook voor België de mogelijkheid openen de eigen staat op te heffen, waarbij Vlaanderen zijn zozeer gewenste zelfstandige soevereiniteit verwerft, maar Wallonië niet in de kou komt te staan, omdat het in het grotere geheel van de Benelux meerwaarde krijgt. Ik deel die visie. De noodzakelijke financiële transfers zouden dan niet noodzakelijkerwijs een last van alleen Vlaanderen hoeven te zijn, maar ponds-pondsgewijs mede gedragen kunnen worden door Nederland en Luxemburg. Om maar eens één aspect van meerwaarde voor Wallonië te noemen.

Couwenberg is een ziener, die als profeet in eigen land niet de waardering krijgt die hij verdient. Zieners lopen meestal voor de muziek uit, niet omdat ze te snel lopen, maar omdat de muziek te langzaam gaat. Zelf ziet hij ook wel het ingrijpende en daarmee moeilijk realiseerbare karakter van zijn idee. Maar zieners hebben één geluk: zij hoeven zich alleen maar te concentreren op gelijk hebben, omdat ze uiteindelijk van de geschiedenis zelf een keer gelijk krijgen. Gelet op Couwenbergs leeftijd vrees ik echter dat hij de verwerkelijking van zijn idee niet in de praktijk zal meemaken, tenzij het disfunctionele intergouvernementele Europese besturingssysteem hopelijk binnenkort bezwijkt onder de druk van de uitbreiding van de Unie. Wellicht gaan de regeringsleiders dan eindelijk de bijzondere betekenis van een federale staatsvorm voor Europa inzien. En dan ontstaat er vanzelf politieke en staatkundige ruimte voor het idee van Couwenberg om – mede ter versterking van de Europese regionalisering – de Benelux, als een confederatie van de zelfstandige landen Luxemburg, Nederland, Vlaanderen en Wallonië (misschien zelfs uit te breiden met aangrenzende delen van Duitsland en Frankrijk), een eigenstandige politieke speler binnen de Europese Unie te laten worden. Of het hoofdstedelijk gewest Brussel daarin mee moet spelen is overigens de vraag. Steeds vaker gaan er stemmen op om Brussel om te vormen tot een ‘Washington DC’. Maar deze stap kan pas worden gezet als men de Europese Unie omvormt tot een federatie, een gedachte die overigens door Rick Coolsaet in het eerder genoemde artikel in NRC Handelsblad als political fiction wordt verworpen.

De idee van Couwenberg om de Belgische problematiek op te lossen in het grotere geografische samenwerkingsverband van de Benelux wordt ook, zij het iets genuanceerder, naar voren gebracht door Jan Schinkelshoek, Tweede Kamerlid voor het CDA, tevens lid van het Beneluxparlement en van de interparlementaire commissie van de Nederlandse Taalunie, in de Volkskrant van 30 augustus 2007. Terecht onderstreept hij eerst dat – anders dan wat veel Nederlanders denken – de kloof tussen Vlaanderen en Nederland groter is dan tussen Vlaanderen en Wallonië, dat veel Nederlanders weliswaar een nieuwe aanhechting met Vlaanderen ambiëren, dat de feitelijke politieke houding van Nederland jegens Vlaanderen daar geen enkele opening toe biedt en dat de meeste Vlamingen eigenlijk een hekel aan Nederlanders hebben. Terzijde: de geringe politieke belangstelling van Nederland voor Vlaanderen heeft diverse achtergronden, waarvan de Nederlandse arrogantie er maar één is. Een andere oorzaak is dat Nederland zich terughoudend opstelt om openlijk zaken met Vlaanderen te doen om te voorkomen dat het ervan wordt beschuldigd partij te kiezen in het communautaire Belgische conflict. Dat heeft minister-president Balkenende er overigens niet van weerhouden om de afgelopen twee jaren aanwezig te zijn op de receptie van de Vlaamse Vertegenwoordiging in Den Haag ter gelegenheid van de viering van de jaarlijkse nationale feestdag in juli.

Schinkelshoek omarmt de idee van een versterkt samenwerkingsverband in het kader van een nieuw Benelux verdrag, maar gaat er daarbij van uit dat België een en ondeelbaar voortbestaat. Net als Couwenberg motiveert hij het belang van een vernieuwde samenwerking binnen de Benelux als een politiek-economische noodzaak in een voortschrijdende regionalisering binnen de Europese Unie. Een nieuw pact is nodig waarin zijns inziens een versplintering van België niet past.

Het valt niet te voorspellen hoe dit balletje verder rolt. Feit is dat de idee van Couwenberg om de sprong naar een versterkte (confederale) samenwerking binnen de Benelux te geleiden langs de creatie van een confederaal België ook wordt gepropageerd door Paul Goldschmidt in La Dernière Heure van 19 augustus 2007. Ik citeer: “Dans ma conception, on viserait la création d'un Etat confédéral (un peu sur le modèle Suisse) constitué de 4 régions dont deux néerlandophones (Pays-Bas et Flandre), une francophone (Wallonie) et une germano/francophone (Luxembourg et cantons rédimés). Bruxelles serait un "District fédéral" séparé abritant les institutions communes.” Hij bepleit dus de idee van een grote confederatie. En ook hij denkt, in afwijking van Coolsaet, aan een positie van Brussel die lijkt op het Washington DC in de Verenigde Staten van Amerika.

Het is overigens een veeg teken dat gedachten over de oplossing van de Belgische problematiek langs confederale lijnen en via de Benelux, worden geformuleerd door een paar Nederlanders en een Franstalige Belg. Of dit ook aan Vlaamstalige kant leeft weet ik niet. Publicaties op dat punt hebben mij niet bereikt. Misschien ergeren ze zich aan de pretentie van buitenlanders om een oplossing voor hun probleem te formuleren. Misschien pikken ze het idee op.

Slot
Het dossier Brussel-Halle-Vilvoorde vindt hoe dan ook binnenkort een oplossing. Rechtens is er geen andere uitweg. Over een paar maanden zullen we er niet veel meer over horen. Het dossier van federalisering versus confederalisering staat echter, mede in het licht van de toekomst van de Benelux, garant voor nog vele spannende verhalen en waarschijnlijk ook voor staatkundig zeer interessante ontwikkelingen.
________________________________________
1Als Nederlander ben ik geneigd om het woord ‘Vlaamstalig’ te gebruiken. Voor Vlamingen is dat echter niet gebruikelijk. De Belgische grondwet spreekt van ‘Nederlands’ en het gebruik van het woord ‘flamand’ door Franstalige politici wordt door Vlamingen vaak als denigrerend beschouwd omdat het in de 19e eeuw werd aangemerkt als het huis-, tuin- en keukentaaltje van de gewone man.
2Zij, die dit proces aanduiden als de ‘balkanisering’ van België vergeten dat het geweldloos is verlopen, dankzij het vermogen van Belgische politici om etnisch-culturele spanningen te laten oplossen in werkbare politieke compromissen.
3Nederland is een van de weinige landen die (nog) geen Constitutioneel Hof hebben. De Nationale Conventie heeft in haar eindrapport over verbeteringen van ons constitutionele stelsel aanbevolen zo’n Hof in te stellen. Zie hierover ook Jan Willem Sap in NJCM-Bulletin, Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten, Jaargang 32, nummer 5, augustus 2007.
4Splitsing hoeft overigens niet te betekenen dat Franstaligen niet meer zouden kunnen deelnemen aan verkiezingen in het Nederlandstalige Vlaams-Brabant. Er bestaat rechtens geen obstakel om ook daar een Franstalige lijst in te dienen.