De motie Willlems

Achtergrond van de motie Willems

Voor het nemen van politieke besluiten kunt u sturen op kennis, op structuren of op processen. Meestal is het een combinatie van alle drie. Het is echter een goede zaak als u weet in welke volgorde en dosering die kennissturing, structuursturing en processturing moeten plaatsvinden. Zie het als zout, peper en suiker. Als u niet weet in welk gerecht dat wel of niet thuishoort, en in welke hoeveelheden, dan eet u niet lekker. Ook de volgorde luistert nauw. Als u niet het verschil kent tussen het voorgerecht en het toetje, wordt het een rare maaltijd. En soms hoort het helemaal niet bij elkaar, zoals u ook geen slagroomgebakje serveert op een schaal met haringen. Kortom, zonder degelijke kennis van en ervaring met deze drie sturingsinstrumenten, hun onderlinge relatie en volgorde, wordt politieke besluitvorming een rommelzooitje.

Daarbij hoort ook inzicht in de momenten waarop u überhaupt een van deze instrumenten niet gebruikt, niet hoeft te gebruiken. Als er kennis in huis is om een specifiek probleem op te lossen is het onzin om structuur- en/of processturing toe te passen. U gaat dan voorwaarts op basis van het adagium ‘Ik ben Jan, en ik weet er alles van.’ Vervolgens neemt u op basis van die kennis uw besluit. Klaar. Een groot deel van de politieke besluitvorming rust op kennis, omdat de openbare dienst met zijn dossiers, archieven en praktijkervaring doorgaans voldoende inzicht  heeft om het politieke gezag in staat te stellen tot afgeronde besluiten te komen.

Dat is echter vaak anders als het om maatschappelijke problemen gaat. Meestal zijn daarvoor geen pasklare oplossingen beschikbaar. Dat komt doordat de meeste maatschappelijke problemen door de overheid zelf worden veroorzaakt, terug te voeren op het gebrek aan inzicht waaraan de eerste alinea refereert. Degene die een probleem veroorzaakt heeft meestal niet de kennis in huis om dat adequaat aan te pakken. Als dat wel het geval zou zijn (geweest) zou er niet ondoordacht gehandeld zijn. Het politieke ambt is het belangrijkste ambt ter wereld, maar dé politiek is de belangrijkste veroorzaker van de grootste maatschappelijke problemen. Of het nu gaat over het falen van het project Walvis, of van de levensloopregeling, of het toeslagensysteem dat de belastingdienst moet uitvoeren. Als u analyseert waar die ellende vandaan komt, dan brengt het volgen van dat spoor terug, u altijd in de Tweede Kamer of bij een regeerakkoord.

Het is die wetenschap en dat besef, die ten grondslag liggen aan de Motie Willems. De strekking daarvan is: als je niet weet hoe je iets moet aanpakken, dan moet je het gewoon aan de burgers gaan vragen. Dat is de essentie van processturing. Maar pas op. Dit sturingsinstrument mag en moet u alleen maar inzetten in gevallen waarin u niet op eigen gezag weet wat er gedaan moet worden. Dan gaat u dus praten met mensen, die een bepaalde mate van wijsheid en waarheid in huis hebben waarmee u het probleem op een gezaghebbende manier kunt aanpakken.

De motie Willems

Deze motie, waarvan de tekst straks volgt, is een product van een bijzonder moment van reflectie van de Tweede Kamer over zijn eigen functioneren.

Onder leiding van Wim Deetman, als voorzitter van de Tweede Kamer, vond omstreeks 1993 een uitvoerige gedachtewisseling plaats over de noodzaak tot staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing. De commissie Deetman, gesplitst in een vijftal deelcommissies onder leiding van politieke zwaargewichten, beraadden zich in die tijd over de afkalving van het politieke gezag, het toenemende wantrouwen van de samenleving in de politiek, en de afnemende effectiviteit van de overheid. In die tijd werd al zichtbaar dat de politiek, na veertig-vijftig jaar, aan het einde van een politieke levenscyclus begon te komen.

Terzijde: de voorstellen van de deelcommissies hebben het afkalvingsproces niet kunnen stoppen. Het optreden van Pim Fortuyn maakte dat een aantal jaren later goed duidelijk. Het was daarom niet verwonderlijk dat het thema bestuurlijke vernieuwing op de politieke agenda bleef en onder het ministerschap van Alexander Pechtold eind 2005 de instelling opleverde van de Nationale Conventie. Belast met de opdracht voorstellen te doen tot herstel van mogelijke defecten in ons constitutioneel systeem.

Tijdens het beraad in de Tweede Kamer over de voorstellen van de commissie Deetman is kamerbreed de volgende motie (TK 1993-1994, 21 427, nr. 90) aangenomen van het Kamerlid Willems (Groen Links):

“De Kamer,
gehoord de beraadslaging:
constaterende, dat de Bijzondere Commissie Vraagpunten is ingesteld om de relatie tussen kiezer en gekozene en burger en bestuur nader te onderzoeken;
overwegende, dat de betrokkenheid van burgers in een vroeg stadium van beleids-ontwikkeling een verhoging van de kwaliteit van het overheidsbeleid kan bewerk-stelligen;
verzoekt de regering te experimenteren met het op diverse wijzen voorleggen van maatschappelijke problemen en beleidsvoornemens aan burgers, dan wel anderszins in het beginstadium van beleidsontwikkeling een raadplegende en inventariserende interactie met de burger te bewerkstelligen,
en gaat over tot de orde van de dag.”

Ik zie deze motie als het politieke fundament voor interactief beleid maken: werken van buiten naar binnen en van onderop. Naast de Grondwet en het Reglement van Orde van de Tweede Kamer is deze motie het belangrijkste document dat het ageren van de Tweede Kamer bepaalt. Althans zou moeten bepalen. In de praktijk is van deze motie niets terecht gekomen. Niet alleen heeft de Tweede Kamer verzuimd om zelf leiding aan een dergelijke wijze van werken te geven, ook heeft men het aan ‘de regering’ overgelaten om de gevraagde interactie met de samenleving methodologisch (niet) in te vullen. Met name daarin zit een ernstige systeemfout. Zonder kennis van en inzicht in de wetenschappelijke principes en in de praktische vereisten van interactief beleid maken, is er een hausse ontstaan,  die ertoe heeft geleid dat interactief beleid maken in de praktijk geen of slechte resultaten heeft opgeleverd. En daarmee zichzelf een slechte naam heeft bezorgd. Men doet maar wat. Interactief beleid maken, als sleutel voor het ontwerpen van uitvoerbaar beleid en handhaafbare regelgeving, mag men echter niet op z’n jan boeren fluitjes doen, maar aan de hand van een eigen complex van zaken die men bewust wel doet, bewust niet doet en bewust in een bepaalde volgorde doet. Hoe dat in elkaar zit kunt u zien in de 'methode Klinkers'. Voor opleiding en training in die methode kunt u terecht bij de cursus Uitvoerbaar Beleid Maken, een vorm van afstandsonderwijs die u invoert in de wetenschappelijke principes en praktische vereisten voor het succesvol ontwerpen van uitvoerbaar beleid en handhaafbare regelgeving.

Terzijde: ik ken maar één voorbeeld waarin de Tweede Kamer zelf een interactief proces heeft getrokken conform de woorden en strekking van de motie Willems. Dat vond ongeveer tien jaar na het aannemen van die motie plaats bij het optreden van de zogeheten Themacommissie Ouderenbeleid onder leiding van Niny van Oerle. Deze Kamercommissie heeft na drie jaar overleg en beraad met de gerede samenleving op het punt van ouderenbeleid, eind 2005 een voortreffelijk rapport aangeboden aan de Tweede Kamer (TK 2005-2006, 29 549, nr. 5). Een integrale studie, die het terrein van niet minder dan negen departementen bestrijkt (dus dwars door alle kokers heen), rustend op een groot maatschappelijk draagvlak. Dat rapport is tegen de zomer van 2007 nog steeds niet door de Kamer behandeld. Deels door politieke perikelen (nieuwe verkiezingen en dergelijke), deels door de verkokering in de Tweede Kamer zelf wegens het systeem van de vaste Kamercommissies.

De daad van het kabinet Balkenende IV, om na zijn aantreden van maart tot juni 2007 eerst honderd dagen in dialoog met de samenleving te gaan, is tekenend voor het gebrek in de Tweede Kamer om, aan de hand van de motie Willems, zelf leiding te (gaan) geven aan die dialoog met de samenleving