Grote Foutenboek

Soort zoekt soort

Wederom een van de fouten uit het Grote Foutenboek: organisaties die zichzelf toestaan bij het aannemen van nieuwe mensen klonen van zichzelf te benoemen. Naarmate er meer van dezelfde soort binnenkomen, gaan de deuren en ramen langzaam dicht, krijgt de organisatie autistische trekken, neemt men niet meer waar dat er een buitenwereld is die evolueert en waarmee men interacties moet plegen, organiseert men de tegenwerping (het tegenwoord) weg, maakt men interne oppositie monddood, en begint de organisatie aan een langzaam stervensproces.

De opeenstapeling van mensen van dezelfde soort vindt meestal plaats op het niveau van het middenmanagement. Daar ontstaat een vaak ondoordringbare kleilaag, meestal van een overmaat aan 'grijze mannen', opgeklommen naar een tussen-managementpositie op grond van inhoudelijke kennis, maar daarna vastgelopen.

Het aanstellen van een nieuwe leiding van de organisatie helpt meestal niet. Die loopt met vernieuwende initiatieven hopeloos vast in die kleilaag. Nieuwe medewerkers die met frisse ideeën zaken zouden willen veranderen kunnen daarmee niet doordringen tot bovenin: de kleilaag smoort alles. Met name vrouwen knappen hierop af en vertrekken.

In het grotere verband van 'de politiek als organisatie' is dit 'soort zoekt soort' in een langzaam afglijdingsproces mede oorzaak geweest van de omstandigheid dat ons land nu aan het einde van een politieke levenscyclus en vitaliteit staat.

We zijn politiek opgebrand, door autistische politici die jarenlang, ver verwijderd van het sociale weefsel van de samenleving, onbekend met zoiets als een samenlevingswens, in een schijnwereld leefden. Een proces van soort zoekt soort schuwt oppositie, bevordert monopolievorming van één (politieke) cultuur, en gaat uiteindelijk in stinkend bederf ten onder. Elke vorm van monopolie corrumpeert. De recent ontstane behoefte aan dualisme kunt u zien als een langzaam ontstaan besef dat een organisatie afsterft als het oppositionele geluid

wordt weggeorganiseerd.

Voor de drie grote partijen in ons land – PvdA, VVD, CDA – heeft dit mechanisme hard toegeslagen. Ogenschijnlijk is het aan het CDA voorbijgegaan, maar de toekomst zal uitwijzen of dat waar is. Vooralsnog zullen deze partijen bij het zoeken naar een nieuwe politieke leiding van de partij de deuren en ramen ver open moeten gooien en zich principieel moeten overgeven aan het organiseren van de tegenwerping: het introduceren van de andere soort, het omhooghouden van de spiegel voor het eigen gezicht. Dat de PvdA zichzelf toestaat om in november 2002 (ondanks de rapporten van Margreet de Boer en Hans Andersson) drie van de vier kandidaten voor het lijsttrekkerschap te rekruteren uit dezelfde soort die het echec van die partij heeft georganiseerd, en de verkiezing van één van hen overlaat aan de leden van de partij zelf, betekent dat die partij nog een lange tijd heeft te gaan voordat zij beseft wat de werkelijke reden was van de dramatisch verlopen gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam in maart 2002: bederf wegens een politieke monocultuur op basis van een proces van dertig jaren 'soort zoekt soort'. De stap van aanwijzing van de lijsttrekker naar verkiezing van die persoon is één brug te dichtbij. Die is niet fundamenteel genoeg om schoon schip te maken, omdat het geen wezenlijke breuk met het verleden inhoudt. Het bederf blijft ondergronds aanwezig. Bij de verkiezingen van 22 januari 2003 zal de PvdA ongetwijfeld weer in de buurt van dertig of meer zetels komen. En daaraan meteen de conclusie verbinden dat het weer goed gaat. Quod non.