Grote Foutenboek

Niet kunnen loslaten

Na een lange tijd van centralistische, en in de (medische) zorgsector zelfs collectivistische, beleidsvoering is de Nederlandse overheid in de jaren tachtig en negentig begonnen met een proces van dereguleren, privatiseren en verzelfstandigen. Geen eenvoudig karwei. De moeilijkheden liggen echter niet in gebrek aan wetenschap, methodologie, of techniek, maar in de mentale aspecten. Nederland is van oudsher een goed geregeld en tamelijk georganiseerd land. We hebben graag onze zaken op orde. En via de naoorlogse centrale leiding hebben we een land met een ongekende welvaart opgebouwd. Vandaar dat centrale aansturing, ondanks het staatkundige concept van de gedecentraliseerde eenheidsstaat, het lange tijd goed heeft gedaan. Het kost ontzettend veel moeite om dat los te laten.

In de praktijk blijkt dat dereguleren, privatiseren en verzelfstandigen in de gecompliceerde materie van marktordening en marktwerking niet zelden gepaard gaan met een ongekende bloei van marktordening: alles wordt tot in de details geregeld om te voorkomen dat 'die onbetrouwbare markt' de verkeerde kant op zou kunnen gaan, ten nadele van de kansarmen. Natuurlijk geldt dat op beheersing gerichte gedrag niet voor alle voorbeelden van emancipatie van overheidstaken naar taken die ook (en beter) door anderen kunnen worden uitgevoerd.

Het loslaten van de door de overheid gereguleerde broodprijs is, ondanks alle oorspronkelijke protesten daartegen, een succesnummer gebleken, waar onze Vlaamse buren met enige jaloezie naar kijken. In België geldt nog steeds, tot een bepaald kwaliteitsniveau, een vaste broodprijs. Daarom kent een bakkerswinkel in Vlaanderen bepaald niet de grote variëteit van broodartikelen die u in Nederland tegenkomt, ondanks het feit dat ons brood gemiddeld een halve euro duurder is. Degenen die krampachtig vasthouden aan (het invoeren van) de vaste boekenprijs zouden eens een analyse moeten maken van de elementen van de succesformule van het loslaten van de vaste broodprijs.

Een schoolvoorbeeld van niet kunnen loslaten, vormt de aanpak van de Nederlandse Spoorwegen: een voormalig overheidsbedrijf, wettelijk zodanig verzelfstandigd dat noch de Tweede Kamer, noch de minister rechtstreekse zeggenschap over dat bedrijf heeft, maar niettemin zuchtend onder een nagenoeg dagelijkse politieke belangstelling. Als er ook maar iets gebeurt springt de Tweede Kamer overeind om de minister aan te manen om in te grijpen. En al zegt die minister duizend keer dat de wet dat niet langer toestaat, loslaten is de Tweede Kamer niet gegeven. Ook de poging van het laatste Paarse kabinet om de op afstand geplaatste zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) onder de werking te brengen van een Kaderwet Zelfstandige Bestuursorganen (inmiddels door het kabinet Balkenende weer afgevoerd) is een schoolvoorbeeld van het niet kunnen loslaten van organisaties die men eerder zelfstandigheid heeft gegeven.

Dat niet kunnen loslaten is er de oorzaak van dat beoogde marktwerking in de praktijk kan verkeren in centralistische marktordening. De decentralisatie van het regionale openbaar vervoer aan de provincies is daarvan een voorbeeld: de provincies hebben de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van dat vervoer ontvangen, maar de centrale overheid behoudt op de belangrijkste sturingspunten de finale bevoegdheden. Dat heet een hybride figuur. Ik noem dat knoeiwerk, een van de fouten uit het Grote Foutenboek.