Over sociale grondrechten

Sociale grondrechten zijn geen rechten. Een burger die van mening is dat een van zijn sociale grondrechten is geschonden kan niet in rechte afdwingen dat de overheid hem in zijn recht herstelt.

In het opstel Over Soevereiniteit stelde ik dat soevereiniteit in de zin van baas in eigen land sinds 1948 niet meer bestaat. Staten zijn lid van intergouvernementele systemen en moeten zich daarom conformeren aan besluiten die boven hun hoofd binnen supranationale organen worden genomen.
In het opstel Over Democratie heb ik uitgelegd dat democratie in de zin van volkssoevereiniteit nimmer heeft bestaan. Overal is sprake van representatieve democratie. En dat concept, democratie door middel van vertegenwoordiging, is door de behartiging van groepsbelangen per definitie niet gericht op het algemeen belang.
In dit opstel Over Sociale Grondrechten probeer ik uit te leggen dat Grondwetten, waaronder de Surinaamse, met passages over sociale grondrechten, nog eens goed zouden moeten kijken naar het juridische gehalte van dat type rechten.

Klassieke en sociale grondrechten
Anders het geval is met zogeheten klassieke grondrechten zijn de sociale grondrechten van betrekkelijk recente datum. Dat wil zeggen, pas in de loop van de jaren zeventig en tachtig vonden diverse grondwetgevers het van belang om naast klassiek grondrechten, zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging en vergadering (om er enkele te noemen), ook sociale grondrechten te formuleren.

In de Surinaamse Grondwet is het verschil niet goed duidelijk
De Surinaamse Grondwet van 1987/1992 spreekt in Hoofdstuk V over de klassieke grondrechten. In Hoofdstuk VI over de sociale rechten; dus zonder er het woord ‘grond’ voor te plaatsen. Of de toenmalige Grondwetgever van mening was dat sociale rechten geen sociale grondrechten zijn, is door afwezigheid van een Memorie van Toelichting niet duidelijk. Maar als we kijken naar de stijl waarin die Grondwet de sociale rechten formuleert, dan gaat het hier waarschijnlijk om sociale grondrechten. Dat maakt overigens ook weinig uit voor het betoog dat nu volgt. Maar voor de goede orde zet ik vanaf nu het woordje ‘grond’ tussen haakjes.

Enkele sociale (grond)rechten luiden:
- Artikel 26, lid 1: Een ieder heeft recht op werk, in overeenstemming met zijn capaciteit.
- Artikel 36, lid 1: Een ieder heeft recht op gezondheid.
- Artikel 38, lid 1: Een ieder heeft recht op onderwijs en cultuurbeleving.

Wat kan een burger bij schending van een sociaal (grond)recht doen?
Het gaat er mij niet om een uitputtende lijst van dergelijke rechten op te sommen. De vraag die ik wil stellen is: wat kan een burger doen als hij geen werk, geen goede gezondheid en geen onderwijs en cultuurbeleving heeft? Dus wat gebeurt er als een werkloos burger zich meldt bij de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu met de vraag “Mag ik een baan?”, en die minister laat weten: “Ik heb geen baan voor u.” Kan die burger dan vervolgens – wegens schending van zijn sociaal (grond)recht – aan een rechter vragen om de Staat te veroordelen tot het geven van een baan? Ik denk van niet. De Minister kan niet op grond van die tekst uit de Grondwet zomaar een baan geven aan iemand die erom vraagt. En de rechter kan om diezelfde reden de Minister niet veroordelen tot het verschaffen van een werkkring. Dezelfde problematiek doet zich voor bij de rechten inzake gezondheid en onderwijs. Iemand die ziek is kan zich niet bij de Minister van Volksgezondheid vervoegen met het verzoek om hem gezondheid te geven, laat staan dat een rechter de Minister daartoe zou kunnen veroordelen.

Ben voorzichtig met het gebruik van het woord ‘recht’
U begrijpt waar ik naar toe wil: een recht is pas een recht als je het bij schending in rechte kunt afdwingen. Kan dat niet? Gebruik dan het woord ‘recht’ niet. Daarom is er een steeds grotere groep van mensen die aan Grondwetgevers adviseren om de sociale (grond)rechten te schrappen. Zij zijn misleidend. Zij pretenderen recht te verschaffen waar dat in rechte niet mogelijk is. En uitgerekend in een Grondwet moet je dat niet doen.

Sociale (grond)rechten zijn beginselen van good governance
Als men kijkt naar de bedoelingen van Grondwetgevers dan is het overigens snel duidelijk dat zij met de invoering van sociale (grond)rechten geen juridische resultaatverplichting hebben willen vestigen. Vooral de Surinaamse Grondwet is in de flankerende artikelen rond die sociale (grond)rechten volstrekt duidelijk dat het in wezen – slechts – gaat om inspanningsverplichtingen van de kant van de Staat. De hele juridische vormgeving rond de geformuleerde sociale (grond)rechten ademt een sfeer van beginselen van good governance.
Graag zou ik willen zeggen: een sfeer van beginselen van behoorlijk bestuur, maar omdat de beginselen van behoorlijk bestuur oorspronkelijk afkomstig zijn uit de Franse en Nederlandse jurisprudentie van het bestuursrecht, lijkt het beter om hier naar het leerstuk van good governance te kijken. Dus ‘goed bestuur’ als inspanningsplicht, zonder de mogelijkheid om naar een rechter te gaan als die inspanningsplicht wordt verzaakt. Wie waakt dan over dat mogelijke verzaken? Het parlement. Schending van beginselen van behoorlijk bestuur is een kwestie die bij een bestuursrechter aanhangig kan worden gemaakt. Schending van beginselen van good governance is een onderwerp dat valt onder de controletaak van een parlement.

Wat betekent dat voor de Surinaamse Grondwet?
Als men deze lijn van denken volgt zal de conclusie moeten zijn dat Hoofdstuk VI van de Surinaamse Grondwet, omvattend de artikelen 24 t/m 39, beter geherformuleerd zou kunnen worden. Er is niets op tegen om de zorg voor werk, gezondheid, onderwijs e.d. tot verheven staatstaken te verheffen, maar formuleer het dan als een beginsel van good governance door het gebruik van woorden die duiden op een inspanningsverplichting van de kant van de Regering, waarover de DNA controle uitoefent.