Over democratie

Het is geen probleem om Suriname een democratie te noemen. Maar volgens de politieke theorie bestaat er in geen enkele land ter wereld democratie. Hoe zit dat? En wat kan dat betekenen voor de voorgenomen herziening van de Surinaamse Grondwet?

In Over Soevereiniteit beschrijf ik hoe het klassieke begrip 'soevereiniteit' van 1648 tot 1948 de wereldorde heeft beheerst, en hoe het vanaf 1948 in enkele tientallen jaren zijn staatsrechtelijke betekenis heeft verloren. Geen enkel land is meer in alle opzichten baas in eigen huis. Door lidmaatschappen van supranationale organisaties – in combinatie met verdragsrechtelijke verplichtingen – kunnen die organisaties van hun leden verlangen zich te conformeren aan besluiten die boven hun hoofd genomen worden.

Overal in de wereld hebben intergouvernementele staatssystemen de plaats van het soevereiniteitsconcept overgenomen. Die intergouvernementele staatssystemen zitten echter klem tussen de noodzaak tot delegatie van nationale bevoegdheden naar supranationale organen enerzijds, en het krampachtig vasthouden aan 'het eigen nationaal belang eerst' anderzijds. Daarom zijn intergouvernementele staatssystemen intrinsiek zwak.

Dat komt door een systeemfout: ze geleiden de besluitvorming via overleg door regeringsleiders. En die hebben bij dat overleg altijd de nationale agenda bij zich. Als het erop aankomt zijn die nationale belangen belangrijker dan het gemeenschappelijk belang van de deelnemende landen. Een intergouvernementeel systeem zonder een politieke unie komt door dat conflict van belangen vroeg of laat in ernstige problemen. De crisis in de Europese Unie is daarvan een goed voorbeeld. Maar dat geldt waarschijnlijk ook voor Caricom. Het zijn samenwerkingsverbanden die het klassieke soevereiniteitsbegrip illusoir maken, maar geen antwoord bieden op de behoefte om nationale zeggenschap een heldere plaats te geven binnen een staatkundige vorm die bewijst dat het geheel meer is dan de som der delen.

Die beschouwing sloot ik af met de stelling dat met het voortschrijden van de staatkundige evolutie alleen de federale staatsvorm dat antwoord kan bieden. Immers, die staatsvorm geeft soevereiniteit aan het geheel, maar ook aan de delen. Anders dan de klassieke soevereiniteit – die scheiding van staten en daarmee non-interventie tot doel had – is soevereiniteit binnen een federatie juist een bindmiddel dat gescheiden staten of staatsdelen aan elkaar verbindt.

Het leek mij nodig om dit opstel Over Democratie te beginnen met deze korte toelichting op de stellingname in Over Soevereiniteit, omdat voor beide stukken geldt dat de lezer zich wellicht ietwat ongemakkelijk voelt. Voor mensen die oprecht de soevereiniteit en de democratie van het eigen land liefhebben is het niet plezierig te lezen dat beide begrippen strikt genomen niet (meer) bestaan. Het is temeer ongemakkelijk omdat de Surinaamse Grondwet aan die twee begrippen een voorname plaats geeft. Wat moeten we daarmee, als de wetenschap van ons verlangt onderwerpen van groot juridisch belang zuiver te gebruiken en daarom ook in de Grondwet een wetenschappelijk niet-betwistbare verankering te geven?

Wat betekent 'democratie'?
Wat de geboorteakte betreft geldt voor ‘democratie’ hetzelfde als voor ‘soevereiniteit’: het duurde vele jaren voordat het vorm en inhoud kreeg. Soevereiniteit werd al geruime tijd voor 1648 genoemd, maar kreeg pas bij het Verdrag van Westphalen in 1648 een staatsrechtelijke status. Democratie is een begrip dat al enkele honderden jaren vóór Christus in geschriften van Plato en Aristoteles voorkwam, maar ook pas veel later, te weten aan het einde van de 18e eeuw een gevestigd begrip werd.

De stelling dat ‘democratie’ niet bestaat, nergens in de wereld, baseren de geleerden van de politieke theorie op een eenvoudige taalkundige constructie. In de geschriften van de filosofen uit de oudheid was het een samentrekking van het woord ‘demos’ (=volk) met het woord ‘kratein’ (=heersen). Democratie betekent dus niet meer en niet minder: het volk regeert. Ten tijde van de Franse Revolutie en van de afscheiding van Noord-Amerika van Engeland (beide aan het einde van de 18e eeuw) kwam dat begrip uit de oudheid bovendrijven in de term ‘volkssoevereiniteit’. Een van de belangrijkste politieke theoretici van die tijd, Jean Jacques Rousseau, is waarschijnlijk de auteur van dat begrip. Terzijde mag niet onvermeld blijven dat hij ook de geestelijke vader van het ‘contrat social’ was, de zienswijze dat de Staat een sociaal contract met het volk hoort te sluiten. Onder de huidige regering voor Suriname geen onbekend begrip.

We bedoelen eigenlijk representatieve democratie
Weinigen weten echter dat Rousseau – samen met alle andere politieke theoretici van toen en nu – duidelijk aangaf dat democratie in de zin van volkssoevereiniteit, dus als besluitvormingsmechanisme van het gehele volk, niet kon bestaan. Het is organisatorisch niet mogelijk dat een voltallige gemeenschap steeds alle besluiten voor die gemeenschap neemt. Wellicht kan dat wel nog lukken in hele kleine gemeenschappen zoals die van Inheemsen en Marrons, waar men door middel van krutu's in gezamenlijkheid over de zaken van de gemeenschap besluit. Maar zodra een van de Inheemsen tegen zijn buurman zegt “Ik moet vandaag gaan vissen anders hebben we vanavond niets te eten, jij mag straks in die krutu namens mij het woord voeren en stemmen”, treedt op dat moment het begrip vertegenwoordiging in. Wat wij in onze gesprekken en geschriften gemakshalve aanduiden als democratie is naar politiek-staatkundige principes representatieve democratie. En dat is een geheel ander paar mouwen.

Representatieve democratie is de natuurlijke vijand van democratie
Democratische besluitvorming door middel van vertegenwoordiging is geen democratie zoals bedoeld in de context van volkssoevereiniteit. Het woord ‘democratie’ in ‘representatieve democratie’ is misleidend. Zoals men bij de Kamelenbrug in het Santa Boma-gebied geen kamelen ziet, zoals aan de Broodboom geen broden hangen en aan de Kanonskogelboom geen kanonskogels, zo is de representatieve democratie geen democratie, maar slechts een metafoor. Daar zou niets op tegen zijn, zoals men ook zonder problemen over de Kamelenbrug kan rijden, en vruchten van de broodboom kan consumeren (wat die kanonskogels betreft is het oppassen geblazen), ware het niet dat iets niet is wat het lijkt – of pretendeert – te zijn tamelijk hard kan aankomen.

De essentie van democratie is namelijk dat algemeen genomen besluiten per definitie gericht zijn op het algemeen belang, zelfs al zou die besluitvorming gericht zijn op het bevorderen van een deelbelang. Als de totale gemeenschap een besluit neemt zijn actoren en belangen identiek: ze vallen samen. Bij volkssoevereiniteit is het volk het algemeen belang en is het algemeen belang het volk.

Hoe anders is het bij representatieve democratie? Waar democratie – noodzakelijkerwijs – moet worden georganiseerd door middel van vertegenwoordiging, vallen de actoren samen met groepsbelangen. In een representatieve democratie is het groepsbelang de maat van de democratische besluitvorming. En zoals groepsbelangen de natuurlijke vijand zijn van het algemeen belang, zo is de representatieve democratie de natuurlijke vijand van democratie in de zin van volkssoevereiniteit.

Natuurlijk pretenderen de vertegenwoordigers van het volk dat hun besluiten gericht zijn op bevordering van het algemeen belang, maar dat is onmogelijk. Hoe eerbaar en goed bedoeld dat oogmerk ook kan zijn, hoe eerlijk en deskundig de volksvertegenwoordigers ook mogen zijn, hoe actief en diep-doorvoeld hun perceptie van het algemeen belang is, hun besluitvorming is per definitie slechts een interpretatie van wat zij als algemeen belang zien omdat een deelgroep, of een verzameling deelgroepen, nu eenmaal niet kan samenvallen met het algemeen belang.

De representatieve democratie is een electieve aristocratie
In zijn afscheidsrede als hoogleraar geschiedfilosofie aan de Universiteit in Groningen op 12 april 2010 noemt Frank Ankersmit, de verzameling representanten een electieve aristocratie. Dus een groep van gekozen voorname mensen. Ankersmit ontleent die omschrijving aan Rousseau. Toen al, dus einde 18e eeuw, was het voor Rousseau (de kampioen van de volkssoevereiniteit), en voor alle politieke theoretici na hem, vanzelfsprekend dat volksvertegenwoordiging op zijn best een electieve aristocratie kon worden genoemd.

Zolang aristocraten hun naam eer aan doen is daar weinig op tegen. Als besluitvorming voor het volk noodzakelijkerwijs via vertegenwoordiging van dat volk moet geschieden, kun je het beste door aristocraten worden bediend. Aristocratie heeft immers de connotatie van fatsoen, eerbaarheid en het vermoeden van een gerichtheid op het algemeen belang, ook al is dat per definitie niet mogelijk. Maar als aristocraten zich verenigen in groepen, laten we ze politieke partijen noemen, en ze in hun – wellicht oprechte – streven naar het dienen van het algemeen belang de plek van een volksvertegenwoordiger willen verwerven, dan kunnen ze dat uitsluitend en alleen door het promoten van het belang van de eigen groep, de politieke partij waarvan zij lid zijn. Politieke partijen zijn daarom per definitie belangengroepen, die hun bestaan ontlenen aan de deskundigheid waarmee zij de kiezer ervan kunnen overtuigen dat hun perceptie van het algemeen belang het beste wordt gediend door te kiezen voor díe partij, en daarmee voor dát belang.

Van aristocratie naar oligarchie is een kleine stap
En daar begint dan het probleem van de representatieve democratie. Omdat zij besluitvorming voor het volk organiseert langs het medium van belangengroepen is zij ‘oligarcheen’. Waarschijnlijk bestaat dat woord niet, maar ik bedoel er mee dat in de electieve aristocratie het zaad van de oligarchie ligt opgesloten. Elke representatieve democratie zal van nature tenderen naar concentratie van macht in handen van ‘enkelen’, een oligarchie dus. In de woorden van Ankersmit:

“We kunnen proberen onze representatieve democratieën zo te veranderen dat dat echte democratieën worden. De andere mogelijkheid is dat we besluiten te berusten in het feit dat onze politieke systemen in feite aristocratieën zijn om, vervolgens, alles in het werk te stellen om te voorkomen dat die aristocratieën degenereren tot egoïstiche oligarchieën beheerst door vriendjespolitiek, ‘cronyism’, nepotisme, coöptatie en zelfverrijking. Allemaal euvels die inderdaad welig tieren in onze hedendaagse politieke systemen, zoals aan iedere krantenlezer bekend is.”

Dat is niet alles. Om geen enkele twijfel te laten bestaan over zijn zienswijze zegt Ankersmit ook nog:

“Het cruciale inzicht is hier dat alle dingen in deze wereld, en dus ook regeringsvormen, onderworpen zijn aan veroudering en slijtage. En we weten ook al sinds de dagen van Polybius wat dat in concreto betekent voor regeringsvormen. Namelijk, dat zoals de monarchie ertoe neigt om te degenereren tot despotisme, de democratie tot de regering van de straat, de aristocratie een aangeboren neiging heeft te ontaarden in een egoïstische en zelfzuchtige oligarchie. Oligarchisering is dan ook het proces dat zich in een steeds rapper tempo in ons publiek domein doorzet.”

En wat te denken van het volgende citaat uit die afscheidsrede:

“De scheidslijn tussen het publieke en het private domein ontwikkelde zich tot een onoverzichtelijk niemandsland met daarin talloze, door de burger niet vermoede schuttersputjes bemand door locale potentaatjes die het publieke belang ten eigen voordele uitbaten. Ziedaar het onmiskenbare teken van de oligarchie. In de tweede plaats kan je denken aan de nieuwe kaste van de managers in overheidsdienst en die nog het dichtst in de buurt komt van de adel van het Ancien Régime – zij het dat die de allure, de goede smaak en fijnzinnigheid van die vroegere adel pijnlijk missen. In vergelijking daarmee zijn het platte en brutale patjepeeërs.”

Ik deel zijn mening, alsook zijn berusting in de electieve aristocratie, als ‘second best’ besluitvormingsmethode voor het volk. Waarom?

“Van een aristocratie – electief of niet – kan je nu een keer nooit een democratie maken, zoals je van een kat geen hond kan maken, of vice versa. Dat moet je dus ook niet gaan proberen.”

Van groepsbelang naar persoonlijk belang is ook maar een kleine stap
De representatieve democratie, als besluitvormingsmethode via het kanaliseren van groepsbelangen, heeft niet alleen de neiging te degenereren tot oligarchische trekken, maar dient ook niet zelden pure persoonlijke belangen. Er zijn nu eenmaal altijd mensen die feilloos aanvoelen dat hun persoonlijke belangen het beste gediend worden door zelf een groep te creëren of te leiden. Met de Grondwet en de Kieswet in de hand weten zij de staatsrechtelijke procedures en menselijke verhoudingen zodanig op elkaar af te stemmen dat het beweerde algemeen belang van de groep die zij aanvoeren, niet alleen het belang van de groep dient, maar ook hun eigen machtspositie.

En daar raakt de representatieve democratie haar diepste punt. Het constitutionele stelsel dat noodzakelijk is om de representatieve democratie correct in te richten is voor het realiseren daarvan net zo functioneel als voor het realiseren van de verkeerde mensen op de verkeerde besluitvormingsplaatsen. Met de wet in de hand kan men ongestraft de democratie in gijzeling nemen. Daar ligt het aanknopingspunt naar een begrip als ‘accommoderen’. Dat we hier niet per se aan Suriname moeten denken mag blijken uit het feit dat in Nederland slechts 2% van de bevolking is georganiseerd in een politieke partij, maar dat deze groep niet minder dan 80% van de belangrijke politieke, ambtelijke, wetenschappelijke en maatschappelijke posten onderling verdeelt. Zonder lidmaatschap van een politieke partij is doorstoten tot de hoogste regionen van macht en invloed in Nederland niet mogelijk. Een enkele uitzondering daargelaten.

Wat betekent dit voor de Surinaamse Grondwet?
De Grondwetsartikelen die over ‘democratie’ gaan op een manier die relevant is voor dit geschrift zijn:
- een passage in de Preambule,
- artikel 1, dat de Republiek Suriname een democratische staat noemt,
- artikel 52, dat spreekt over politieke democratie en een democratisch politiek stelsel.
Andere artikelen noemen democratie in verband met de organisatie van verenigingen en politieke partijen, of in relatie tot cultuur en onderwijs, of in relatie tot participatie van burgers, of in verband met decentralisatie. Dat is in dit kader niet relevant, dus daar ga ik kortheidshalve aan voorbij.

Zoals ik al opmerkte in het opstel Over Soevereiniteit is het ontbreken van een Memorie van Toelichting op de Grondwet 1987/1992 een handicap. Wat kan men bedoelen met ‘democratische staat’ en ‘politieke democratie’? Iedereen mag dat naar eigen inzichten invullen. En dat kan niet de bedoeling van een Grondwet zijn. Hoe een herziene Grondwet er ook zal uitzien, zonder een deugdelijke MvT zal de Grondwetscommissie de samenleving geen dienst bewijzen. Het lijkt mij overigens dat de commissie zich daarvan terdege bewust is.

Persoonlijk houd ik van een sobere Grondwet. Dat wil zeggen, zonder al teveel ronkende teksten met dure begrippen als soevereiniteit en democratie. Zij dienen al te gemakkelijk liefhebbers van inhoudsloze politieke retoriek, van rituele dansen rond het altaar van de oligarchische macht. Voor woorden als ‘soevereiniteit’ en ‘democratie’ geldt hetzelfde als het woord ‘God’: dat moet je niet ijdel gebruiken.

Het zou aanbeveling verdienen om hoe dan ook in een herziene Grondwet het beestje bij de naam te noemen. Dus niet langer spreken van ‘democratie’ – immers die bestaat niet. Maar op zijn minst van ‘representatieve democratie’. Om vervolgens in de MvT duidelijk aan te geven dat ook Suriname geen volkssoevereiniteit kan realiseren en net als andere staten de democratische besluitvorming moet ordenen via vertegenwoordiging van het volk. In het volle besef dat de representatieve democratie nimmer gevrijwaard is van mogelijke slechte bedoelingen van hen die er deel van uitmaken.

Voorts zou het misschien goed zijn om het begrip ‘representatieve democratie’ te verbinden met het begrip ‘rechtsstaat’. Een Staat is een rechtsstaat als hij zich aan zijn eigen regels houdt. Door het rechtsstatelijke in de Grondwet te verankeren neemt die Staat de plicht op zich om zonder aarzelen te blijven werken aan een juridisch stelsel dat recht en rechtvaardigheid voor de samenleving garandeert. In concreto zou ik de Grondwet als volgt willen aanpassen, de tekst tussen haken als toevoegingen van mijn kant.

In de preambule de zin: “- overtuigd van onze plicht de principes van vrijheid, gelijkheid en [vertegenwoordigende] democratie alsmede de fundamentele rechten en vrijheden van de mens te eerbiedigen en te waarborgen,….

Artikel 1, lid 1, “De republiek Suriname is een democratische Staat gebaseerd op de souvereiniteit van het volk en op eerbiediging en waarborging van fundamentele rechten en vrijheden.” zou ik willen herformuleren als [De Staat Suriname is een vertegenwoordigende democratie, gebaseerd op beginselen van de rechtsstaat, op eerbiediging en waarborging van fundamentele rechten en vrijheden en op verplichtingen die zij in internationaal verband op zich heeft genomen.]

Met het laatste zinsdeel (die internationale verplichtingen) neemt de Staat afscheid van het klassieke, maar juridisch niet langer relevante begrip ‘soevereiniteit’. Overal elders in de Grondwet zou ik het woord democratie schrappen. Daar wordt het namelijk ijdel gebruikt.