Boekbesprekingen

In Nederland gebleven

Henk Smeets en Fridus Steijlen, In Nederland gebleven, De geschiedenis van Molukkers 1951-2006, Uitgeverij Bert Bakker en Moluks Historisch Museum 2006

door Leo Klinkers

In Nederland gebleven is een gezaghebbende studie1, waarin de historici Smeets en Steijlen nauwgezet beschrijven hoe de Molukse gemeenschap zich in ons land heeft ontwikkeld. Het boek handelt over de geschiedenis van de Molukkers, die in 1951, ongeveer 12.500 personen omvattend, in twaalf transporten naar Nederland kwamen. Een grote meerderheid had gediend in het KNIL. Maar het omvatte ook een kleine groep in dienst van de Koninklijke Marine, de politie, politierekruten en militairen die hadden gediend in bijzondere eenheden. De meerderheid was protestants-christelijk, een minderheid katholiek of moslim. Ze werden ondergebracht in negentig woonoorden verspreid door heel Nederland. Eerst in houten barakken, later in huizen van steen.

In_Nederland_gebleven_10001

Toen Nederland op de Rondetafelconferentie van 27 december 1949 de soevereiniteit overdroeg aan de Verenigde Staten van Indonesië (die al acht maanden later ophielden te bestaan en als de eenheidsstaat Republik Indonesia verdergingen), ontstond de noodzaak een oplossing te zoeken voor de positie van de Molukkers in Indonesië. Wegens hun speciale band met Nederland vond men na veel moeilijke afwegingen die ‘oplossing’ in een min of meer gedwongen overtocht naar ons land. Overigens in de veronderstelling dat dit tijdelijk zou zijn. Niet dus.

De auteurs beschrijven de periode van 1951 tot 2006 met een Molukse gemeenschap die inmiddels gegroeid is tot zo’n 65.000 personen) met een uitzonderlijke accuratesse voor details, omstandigheden, ontwikkelingen, gebeurtenissen, oorzaken en gevolgen. Het accent ligt op het proces van ‘wortel schieten’ en integreren, op de processen waarin de Molukkers hun identiteit verder ontwikkelen binnen en in contact met de Nederlandse samenleving, op de spanningen tussen integratie en het streven naar vasthouden aan een eigen identiteit.

De auteurs bedoelen met integratie de deelname van de Molukkers aan de Nederlandse samenleving: een langdurig proces van insluiting en acceptatie van migranten in de kerninstituties, relaties en statussen van de ontvangende maatschappij. De auteurs: “Daarbij gaat het niet alleen om de inspanningen van de ontvangende samenleving, maar om die van de migranten zelf. In deze omschrijving is het eindresultaat van integratie niet per se het verdwijnen van verschillen of een eenzijdige aanpassing van migranten, maar de acceptatie van verschillen zodat deze niet langer een probleem hoeven te vormen voor deelname aan de samenleving” (p. 13).

Het boek behandelt vier dimensies van integratie. Een structurele, waaronder deelname aan ‘harde’ sectoren in de samenleving, zoals onderwijs, arbeid en huisvesting. Een culturele, handelend over kennis, gevoelens en normen en waarden. Een interactieve, die betrekking heeft op het sociale verkeer. En een identificationele: de mate waarin men zich identificeert met de Nederlandse maatschappij.

Startend vanuit de relatie van Nederland met de Molukken in de zestiende en zeventiende eeuw lopen de auteurs door naar de dekolonisatieperiode 1942-1951 en beschrijven zij nauwgezet in welke klempositie Nederland voor en na de onafhankelijkheidsoverdracht in december 1949 kwam te verkeren met zijn Molukse strijdmakkers. Na de afwikkeling van het KNIL – oplossing: gedwongen overtocht naar Nederland – komen de schrijvers pas goed op dreef. Stap voor stap laten ze zien met welke problemen en spanningen deze groep migranten wordt geconfronteerd, welke posities en rollen diverse overheden en maatschappelijke organisaties daarin nemen en vervullen, hoe de eerste generatie bijna geheel in een structurele werkloosheid terechtkomt, hoe in reactie daarop de tweede generatie deels die werkloosheid overneemt, en/of anderszins afglijdt naar verslaving en radicalisering, welke zaken voeding geven aan de gijzelingsacties in de jaren zeventig en hoe deze acties een doorstoot geven aan het proces van integratie. Maar deze historische lijn van ontwikkelingen is slechts een deel van dit magistrale boek. Het bevat nog veel meer, zoals de rol van de Molukse vrouwenbeweging in het proces van emancipatie en integratie, de aansluiting aan politieke organisatie en oriëntatie, de oorzaken en achtergronden van het geweld op de Molukken rond de recente eeuwwisseling, de positie die onze overheid daarin innam, te veel om op te noemen.

Opmerkelijk is de objectieve toon van de schrijvers. Ze oordelen niet, laat staan dat ze een van de partijen veroordelen. Ze laten zien hoe het kon gebeuren wat zich noodzakelijkerwijs moest gaan afspelen binnen de casus die zich in 1951 op geopolitieke gronden had ontwikkeld. Nergens ook stellen de auteurs dat hun boek verplichte stof zou moeten zijn voor de huidige rijks-, provinciale en gemeentelijke beleidsmakers die te maken hebben met het non-integratie- en radicaliseringsgedrag van Marokkaanse, Turkse en Antilliaanse jongeren.

Hun terughoudendheid op het punt van reclame maken voor eigen werk siert Smeets en Steijlen. Maar dat hoeft anderen niet te beletten dit boek aan te merken als een standaardwerk over de mogelijkheden en onmogelijkheden om van staatswege groepen migranten hun eigen rol en positie te laten verwerven binnen de Nederlandse gemeenschap.


1 Het was een opdracht van de toenmalige minister voor Grote Steden en Integratiebeleid, Roger van Boxtel, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van het Moluks Museum en onder begeleiding van een wetenschappelijke commissie onder voorzitterschap van prof. dr. G.J. Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden.