Boekbesprekingen

Moreel Esperanto

Paul Cliteur, Moreel Esperanto, De Arbeiderspers 2007

door Leo Klinkers

Rond 1980 was het politiek niet correct om in Amsterdam in negatieve zin te spreken over immigranten, legale of illegale. Informatie van de politie dat een betekenisvolle groep illegalen op of over de rand van de criminaliteit opereerde, werd stelselmatig door de gemeenteraad verworpen met het argument dat dergelijk onderzoek stigmatiserend werkte. Die visie gold ook in andere grote steden. Tot ver in de jaren negentig kon daarom geen degelijk onderzoek plaatsvinden naar de eigenschappen en eigenaardigheden van de vele verschillende etnische culturen die Nederland verkozen boven hun eigen land. Diepgaande studies naar de effecten van hun aanwezigheid op onze post-verzuilde samenleving werden politiek geweerd. Tot de toenmalige burgemeester Schelto Patijn omstreeks 1998 in de nasleep van de IRT-affaire op tafel sloeg en eiste dat de lokale politiek met open ogen zou kijken naar hetgeen al die verschillende culturen in de grote stad teweegbrachten. Maar toen lagen we al zo’n twintig jaar achter. Die wetenschappelijke achterstand, gevoegd bij het te laat vinden van sociaal-maatschappelijke en politiek-bestuurlijke antwoorden op vragen van integratie, assimilatie en participatie, hebben we nog niet ingehaald.

Cliteur_10001 Tot de explosieve opkomst van Fortuyn rond 2000 leefden we in een – wat nu heet – cultuurrelativisme dat aan elke etnische groep het respect wilde bieden dat wij ook elkaar als Nederlanders toewensen. Door het ontbreken van een conceptueel kader om te kunnen differentiëren tussen wel respect voor het ene, maar niet voor het andere, sloeg dat cultuurrelativisme allengs om in veelal onberedeneerde polarisering, polemisering, provocaties en zelfs enkele moorden. Het spleet een politieke partij (VVD) en verleidde een parlementariër (Wilders) in de Tweede Kamer tot onbestraft schofferende uitspraken1 jegens een minister (Vogelaar) toen die van mening was dat over een paar eeuwen – kan het nog relativerender? – de islam net zo vast in Nederland geworteld zal zijn als het christendom en het jodendom.

Mede door auteurs als Paul Scheffer en Paul Cliteur is het ietwat onbeheerste geluid van Fortuyn nu in formats vervat die het verschijnsel langs wetenschappelijke wegen proberen te verklaren. Daarin schuwen zij overigens niet om persoonlijke standpunten in te nemen. Cliteur ging daarin enkele jaren geleden zover dat hij moest oppassen voor zijn persoonlijke veiligheid. Hij trad terug uit de publiciteit van radio en tv. In die luwte schreef hij Moreel Esperanto, een compilatie van al zijn gedachten over de relaties en spanningsvelden tussen etniciteit, cultuur, religie, politiek, ethiek en moraal.

Ik herinner me een van de laatste openbare optredens van Cliteur waarin hij zich scherp verzette tegen het beleid, c.q. voornemen van de Amsterdamse burgemeester Job Cohen, om het normafwijkend gedrag van groepen jeugdige Marokkanen te gaan bespreken met oudere Marokkanen in een moskee. Naar de mening van Cliteur was dat een ongewenste vermenging van kerk en staat. Cohen daarentegen, zag het als een praktische stap om die mensen die hij nodig moest spreken (‘om de boel bij elkaar te houden’) op te zoeken waar ze het gemakkelijkst te vinden waren. In de moskee dus. Een soort omgekeerd Mozes-Berg metafoor: ‘Als die onbeweeglijke groep niet naar mij toekomt, dan ga ik toch naar hen’, zal ongeveer de gedachtegang van Cohen zijn geweest. De discussie daarover met Cliteur liep zo hoog op dat daarin misschien een verklaring ligt voor het feit dat de naam van Cohen niet voorkomt in het uitgebreide personenregister van Moreel Esperanto. Wel die van Job, maar dat is iemand anders.

Wat vijfentwintig jaar geleden een grote-stadsprobleem was, op slechts enkele plekken in West-Europa, is inmiddels onderwerp van discussie in grote delen van de westerse wereld waar de islam zich heeft gevestigd. Het wemelt van de analyses en oplossingen. Nagenoeg elke dag vult het de opiniepagina’s en redactionele commentaren van de belangrijkste dagbladen. Maar een omvattend denkkader ontbreekt nog steeds.

In die context speelt Moreel Esperanto een belangrijke rol. Gesteund door vele jaren onderzoek en doordachte publicaties, voorts gelouterd door de persoonlijke ervaringen – wie herinnert zich Buikhuizen? – bij het openbaar spreken over dat onderzoek, ontwierp Cliteur een raamwerk om de vele, vaak diffuse begrippen in deze haast wereldomspannende discussie, in een overkoepelende grammatica te vatten. Zijn Esperanto, een wereldtaal over ‘moraliteit’. Het is echter bepaald geen eenvoudige grammatica. Ik zal ik niet proberen om elementen daarvan op een rij te zetten. Daarvoor is het te omvangrijk en gecompliceerd. En het zou de samenstellende bestanddelen van zijn conceptuele kader uit zijn verband rukken. Ik concentreer me op de titel omdat die veel, zo niet alles lijkt te zeggen over de beweegredenen van Cliteur.

In de keuze voor Esperanto in de titel van het boek liggen twee, elkaar ontkennende, connotaties besloten. In de eerste plaats die van ‘het ideaal’. Cliteur doet een bijna smekende oproep om in deze – vaak tot moord en doodslag leidende discussie (jihad, 11 september, Fortuyn, Van Gogh, ..…) – het verstand te gebruiken. Als wetenschapper pur sang zoekt hij alle begrippen die ook maar enig verband hebben met cultuur-religie-ethiek-moraal-politiek bij elkaar, legt ze uit, rangschikt ze in hun voorwaardelijk, causaal en hiërarchisch verband en componeert daarmee een nieuwe ‘taal’ – zijn moreel Esperanto – om de dialoog op vreedzame wijze voort te zetten. Een begrippenkader op een hoger abstractieniveau dan de vele tientallen goedbedoelde oplossingen om het conflict met de islam te beslechten.

De andere connotatie van zijn Esperanto vereist een korte toelichting vooraf. Wikipedia vertelt ons dat het Esperanto een kunsttaal is, ontworpen door Ludovich Zamenhof, die in 1887 onder het pseudoniem Dr. Esperanto – ‘iemand die hoopt’ – het eerste boekje over de taal publiceerde. Die is speciaal ontworpen om mensen uit verschillende taalgebieden met elkaar te laten communiceren. Het kent een eigen literatuur, is een volwaardige taal en vervult een brugfunctie tussen verschillende culturen. Mijn vader sprak het en communiceerde in het Esperanto met verwante zielen over de hele wereld. Omdat ik het gebruik van Esperanto van nabij meemaakte, zag ik ook de vertwijfeling – de keerzijde van hoop – bij mijn vader of deze taal ooit een zodanige kritische massa zou kunnen bereiken dat het zijn brugfunctie zou ontstijgen en een dominante taal zou worden. Diezelfde vertwijfeling leest men bij Cliteur. Het leren van die nieuwe taal vereist een inspanning die slechts zeer weinigen zich zullen getroosten. Men kan er zeker van zijn dat zij die aan het communiceren in deze moraaltaal leiding zouden moeten geven, de politici, niet tot die zeer weinigen zullen behoren. Daar hebben ze geen tijd voor en geen zin in.