Boekbesprekingen

Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2008

Het feest van de democratie. Rituelen, symbolen en tradities, Centrum voor Parlementaire Geschiedenis, Boom 2008

door Leo Klinkers (november 2008)

Op dinsdag 18 november 2008 presenteerde het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de universiteit van Nijmegen, onder leiding van prof. dr. Carla van Baalen, voor de tiende maal het jaarboek parlementaire geschiedenis in de oude zaal van de Tweede Kamer. Deze keer was het jaarboek specifiek gewijd aan het politieke gedrag, de cultuur, zeden en gewoonten, de vormen en regels, maar vooral ook aan de rituelen en symbolen.
Het jaarboek werd door de voorzitter van het bestuur van de Stichting Parlementaire Geschiedenis, Thom de Graaf aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer, Gerdi Verbeet. Naast De Graaf hielden Verbeet en Bas van der Vlies, nestor in de Kamer, een betekenisvolle inleiding. Ze zijn opgenomen aan het slot van deze boekbespreking, elk voorzien van een annotatie van mijn kant.

Jaarboek_2008

Wat staat er zoal in het jaarboek?
Het boek bevat een zestal artikelen, een verslag van het Fitna-debat, een persoonlijk schrijven van het jongste Kamerlid Frashad Bashir, een handvol necrologieën, een parlementaire kroniek, enkele interessante recensies van publicaties over het politieke metier en verwijzingen naar lectuur die in de context van dit jaarboek ook met genoegen gelezen kunnen worden. Het openingsartikel van de historicus Henk te Velde beschrijft de ontwikkeling van het parlementaire stelsel vanaf de 19e eeuw, mede in vergelijking met die in andere landen. Te Velde ruimt net als de meeste andere auteurs plaats in voor het ‘rumoer’ in de Kamer. Bepaald een actueel onderwerp sinds Geert Wilders op 6 september 2007 in het eerste debat na het zomerreces het nodig vond om minister Ella Vogelaar toe te voegen dat ze ‘knettergek’ was in haar opstelling jegens andere etnische culturen. Hoe ik daarover denk heb ik elders in deze website verwoord.

De kern daarvan is dat de voorzitter van de Tweede Kamer in artikel 58, lid 2 van het Reglement van Orde een instrument heeft om onwelvoeglijk taalgebruik tegen te gaan. In mijn annotatie van de speech van Gerdi Verbeet kom ik daar straks op terug omdat zij tot dit moment te kennen geeft daarvan geen gebruik te willen maken.

Ik citeer uit het artikel van Te Velde een klein tekstje dat in het licht van het ongeremde taalgebruik van bepaalde politieke partijen frappant is: “In de negentiende eeuw vond men rumoer onfatsoenlijk, in het interbellum onparlementair en onbeschaafd, in de naoorlogse tijd vooral ondemocratisch. Huizinga verklaarde voor de oorlog de crisis van het parlementaire systeem die zich in de rumoerigheid uitte uit de opmars van de onbeschaafde massa.”

Carla_van_Baalen

Carla van Baalen (zie foto hiernaast; in 2006 collega in de Nationale Conventie) en Jan Ramakers gingen op zoek naar de herkomst van het woord ‘Prinsjesdag’. De oudste door hen gevonden verwijzing komt uit een gedicht uit 1879 waarin de opening van de Staten-Generaal – die volgens de dichter tevens de heropening is van het ‘politiek kabaal’ – de omschrijving ‘Prinsjesdag’ meekreeg. De auteurs analyseren het beoogde feestelijke karakter van die dag in zijn evolutie van uiterlijk vertoon (de hoeden van de dames en de kostuums van de mannen), de rituelen tijdens de rit naar de Ridderzaal, de plaats waar iedereen zit, de nogal principiële vraag wie nu eigenlijk gastheer/vrouw is en de functie van de troonrede.

In een andere bijdrage verhalen Carla van Baalen en Anne Bos van hun ontdekkingstocht gedurende negen dagen in de plenaire zaal van de Tweede Kamer. Ik behandel die uitvoeriger omdat het hier om de kern van het functioneren van de Tweede Kamer gaat.

Voor degenen die regelmatig op de publieke tribune zitten is hun beschrijving van de feitelijkheden in de zaal een feest van herkenning. Voor hen die daar nooit komen is het een instructieve bijdrage. De auteurs observeren alles: de symbolen, de kleding, de orde van de vergaderingen, het gedrag tijdens die vergaderingen, de rituelen, het optreden van het personeel en de media, de aankleding van de zaal, de sfeer.

Ze kozen ervoor om in de achterste ring van de kamerbankjes te gaan zitten. Zoals ze zelf zeggen: “… zaten we het verst van de voorzitter af, maar dichtbij genoeg om ons direct betrokken te voelen bij wat er gebeurde.” Dat kan ik me goed voorstellen. Die directe nabijheid in de plenaire zaal zelf geeft meer gevoel, kleur en geur aan de waarnemingen dan van bovenaf op de publieke tribune. Toch zou ik ervoor hebben gekozen om een van de observanten op die tribune te hebben laten plaatsnemen. Vanuit de achterste ring zie je minder, kijk je vaak alleen maar tegen de rug van Kamerleden aan, en kun je het gebeuren niet vatten in één totaalblik. Dezelfde handicap die een voetbalcoach heeft: wat er op het veld plaatsvindt kan maar in beperkte mate worden geobserveerd. Vanaf de publieke tribune zie je alles tegelijk en dat geeft een bijzondere impressie van de interactie in die zaal.

De auteurs gaan onder andere in op de kwestie van de kleding, door de Kamervoorzitter wel omschreven als ‘van balzaal tot camping’. In het verlengde van mijn commentaar op het taalgebruik zal het niet vreemd aandoen als ik over die kleding opmerk: “Wie zich als een schlemiel gedraagt wordt als een schlemiel behandeld.”
Maar belangrijker is de observatie – die overigens ook in andere bijdragen opduikt – dat men niet naar elkaar luistert. Behalve natuurlijk in debatten die op het scherp van de snede plaatsvinden. De auteurs merken op dat ze de ‘geringe oplettendheid’ eerst vreemd vonden, maar er allengs begrip voor kregen:

“De vergaderingen zijn lang en taai; vaste pauzes zijn er niet. Tussen het gelach en gepraat door wordt hard gewerkt. Sommige leden werken zich tijdens de urenlange debatten door stapels dossiers heen, overleggen via moderne hulpmiddelen zoals blackberry en mobiele telefoon met fractiemedewerkers en fractiegenoten, doen rondjes door de zaal om steun te zoeken voor een motie, of bereiden hun bijdrage aan het debat voor. Met andere woorden, de vergaderzaal doet ook dienst als werkruimte; naast politieke arena is de Kamer ook een kantoortuin.”

De auteurs hadden hier wel wat strenger mogen zijn. De essentie van mondelinge communicatie is sinds het begin van het uitstoten van klanken dat de een luistert naar wat de ander zegt. Als we dat principe zo gemakkelijk opgeven – nota bene in de belangrijkste vergaderzaal van het land – schaf dan dat plenaire debat af en maak er een echte kantoortuin van, met planten en een waterpartij. Dan wordt het misschien toch nog gezellig in die kille zaal. Het zou de moeite waard zijn als communicatiedeskundigen, samen met bestuurskundigen eens een longitudinaal onderzoek zouden verrichten naar het causale verband tussen de structurele non-communicatie in de Tweede Kamer en de erbarmelijke kwaliteit van de politieke besluitvorming. Mede tegen de achtergrond van de averechtste effecten van het (dictaat van het) regeerakkoord: waarom zou je luisteren als toch al vaststaat wat er wordt besloten?

Net zoals het geval is in gemeenteraden en provinciale staten heeft de verbaliteit in het plenum van de politieke arena niet – zoals wel het geval is in andere vergaderingen in het land – de vorm van een dialoog (de een spreekt, de ander luistert en vice versa) maar van unilaterale verklaringen ex cathedra. Niet een afweging van argumenten over en weer geeft de doorslag, maar het aantal stemmen dat de verklaring steunt. In de woorden van de twee auteurs in de context van hun beschouwing over de opmerking van minister Nawijn in december 2002 dat het werk in de Kamer één groot ritueel is:

“Bovendien wordt Nawijns uitspraak geschraagd door het feit dat Kamerdebatten dikwijls geen ‘echte’ debatten zijn. Kamerleden hebben hun bijdragen voorbereid en lezen die voor; ze reageren niet of nauwelijks op eerdere sprekers en brengen dikwijls weinig verrassende standpunten voor het voetlicht. Het is, zo bezien, dan ook niet verwonderlijk dat sprekers niet kunnen rekenen op de volle aandacht in de zaal. In de Kamer worden onwrikbare standpunten geëtaleerd. Vanzelfsprekend steunen coalitiefracties elkaar waar mogelijk en wordt de oppositie nooit moe te verwoorden waarom het hoog tijd is voor ander beleid.”

Daarmee vervalt de noodzaak om naar een spreker te luisteren, ontstaat er ruimte voor iets anders en benut men die om dossiers door te werken. Ik begrijp het wel, maar ik heb er geen begrip voor. Wie gaat daar eens met de mattenklopper overheen?

Met de notie dat het wel een volle termijn van vier jaar duurt voordat een Kamerlid de status van volleerd parlementariër bereikt raken de auteurs weer een ander belangrijk punt. Waar tot begin jaren zeventig het lidmaatschap van de Tweede Kamer een eindstation van een voldragen loopbaan was, is het allengs verworden tot een carrièreopstap van mensen die eigenlijk ergens een leuke bestuurlijke baan willen: meebesturen is de habitus van het gemiddelde Kamerlid. Zo gauw als die kans zich voordoet springen ze weg. De strategie van politieke partijen om bij elke verkiezingen de leden die het niet zo goed deden in de media te vervangen door meer in het oog lopende types is daar ook debet aan. Vandaar dat er bij de boekuitreiking op 18 november 2008 een bijna onhoorbare zucht door de volle zaal ging toen Bas van der Vlies met zijn twintigjarige ervaring in de Kamer de aanbeveling deed om het lidmaatschap te binden aan een minimumtermijn van acht jaar.

De schrijfsters uitten ook hun verwondering over het feit dat nooit werd ingegrepen bij ruw taalgebruik. Dit is een running theme in nagenoeg alle bijdragen in de bundel. Ik kom daar zo meteen op terug bij de speech van Gerdi Verbeet.

Wat betreft het bespreken van de inhoud van het Jaarboek laat ik het hierbij. De lezer wordt uitgenodigd om zelf dit boek – een gedegen beschrijving van de Tweede Kamer anno 2008 tegen de achtergrond van zijn parlementaire evolutie – ter hand te nemen. Hierna volgen de inleidingen van Bas van der Vlies, Thom de Graaf en Gerdi Verbeet, in volgorde van hun opkomst.

Inleiding van Bas van der Vlies
U kunt de volledige tekst lezen door hier te klikken. Zij staat in het teken van de vraag of er werkelijk iets nieuws is onder de zon. Daarvoor grijpt Van der Vlies, met tienduizend parlementaire dagen de nestor in de Tweede Kamer, terug naar enkele treffende Bijbelteksten, te mooi om zomaar aan voorbij te gaan:

“Nieuws onder de zon. Deze woorden zijn ontleend aan het Bijbelboek Prediker. Ze maken deel uit van een langere tekst, die luidt: “Hetgeen dat er geweest is, hetzelve zal er zijn; en hetgeen dat er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.” De strekking van deze uitspraak is dat veel zaken die ons als nieuw voorkomen, helemaal niet zo nieuw zijn. Het vers dat volgt op wat ik aanhaalde, maakt dat nóg duidelijker: “Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die vóór ons geweest zijn.”

Vervolgens kopt hij zijn eigen voorzet behendig in met een citaat uit Het Nederlandsche Parlement van D. Hans uit 1913: “Het peil van het parlement daalt.” Dus, ‘Waar zeuren we toch over? De klacht over het peil van de Kamer is van alle tijden?’ lijkt Van der Vlies te zeggen. Maar zo gemakkelijk gaat dat niet. In de sfeer van de oude teksten bestaat er ook nog zoiets als het ‘panta rhei’ van Heraclitus waarmee deze doelt op: alles stroomt, alles gaat voorbij, verandering vindt permanent plaats. Men moet daarom de huidige klachten over het peil van het parlement niet vergelijken met die van 1913. De vergelijking is niet of, en zo ja in welke mate het peil van nu slechter is dan dat van 1913, maar of het peil van nu in balans is met de taak waar het parlement nu voor staat. Het gaat om de vraag of de kwaliteit van het parlement in enige periode van voldoende niveau is om de maatschappelijke complexiteit van dat moment aan te kunnen. Als dat in 1913 in twijfel werd getrokken dan gold dat voor de maatschappelijke werkelijkheid van die tijd en mag dat niet fungeren als een argument om twijfel over dat peil in 2008 weg te wuiven. Is het parlement in een gegeven regeringsperiode opgewassen tegen zijn taak, ja of nee? Is er in 2008 sprake van gezaghebbende politieke leiding door Eerste en Tweede Kamer van onze samenleving, ja of nee? Dat zijn de vragen. En het antwoord is nee. Vele honderden publicaties over de discongruentie tussen de momentele politieke besluitvorming en de beoogde maatschappelijke effecten wijzen daarop. Deze website geeft daarvan de nodige voorbeelden. Ik volsta hier met de verwijzing naar een van mijn ervaringen tijdens het werk binnen de Nationale Conventie. Ten behoeve van mijn voorstudie Parlement en regering: rijp voor een nieuwe politieke levenscyclus? sprak ik met ruim veertig personen over de vraag in welk opzicht die relatie zodanige tekortkomingen kent dat men kan spreken van defecten in ons constitutionele bestel. Drie personen uit de omgeving van parlement en kabinet gaven onafhankelijk van elkaar te kennen dat naar hun mening de Tweede Kamer van dat moment (2006) de slechtste was sinds WOII. Men kan daaraan niet voorbijgaan met de observatie uit 1913 dat er altijd wel wordt geklaagd over het peil van de Kamer.

Dit alles doet uiteraard niet af aan de bijzondere kwaliteit van het Kamerlid Van der Vlies. Natuurlijk kent de Kamer leden die in alle opzichten voldoen aan de eisen van het hedendaagse ambt van volksvertegenwoordiger en controleur van de regering. Maar het gaat om het peil van het collectief, om de kwaliteit van de Kamer als geheel, wat grote zorgen baart.

Daarom is het goed om te vermelden dat Van der Vlies een drietal behartenswaardige adviezen uitsprak. Overigens nadrukkelijk met een knipoog om te voorkomen dat het in de media zou worden opgepikt als een aanval op de Kamer. Hij pleitte voor het binden van het lidmaatschap aan een termijn van niet minder dan acht jaar, voor een soort toelatingsexamen voor aankomende Kamerleden en voor het voeren van spoeddebatten om 23.55 uur. De hoorbare reactie in de zaal was er een van hartelijke instemming.

Inleiding van Thom de Graaf
U kunt de volledige tekst lezen door hier te klikken. Zoals ook in het Jaarboek zelf de gewraakte uitspraak van minister Nawijn aan de orde komt, namelijk dat ‘de Kamer één groot ritueel is’, zo begint De Graaf zijn speech met een verwijzing naar die kreet. En wijst die af met:

“Ministers dienen zich de kritiek van de Kamer te laten welgevallen en niet zelf kritiek op de Kamer uit te spreken. Zo zijn de mores op het Binnenhof.”

Ook hier mag de vraag rijzen of dat een afdoende argument is. Is het niet denkbaar dat dit taboe fungeert als een verstikkende last die een betekenisvolle vernieuwing van het parlementair functioneren smoort? Laten we niet vergeten dat de leden van de Tweede Kamer zelf elke gelegenheid aangrijpen om te klagen over hun eigen werkwijze. Een toppunt daarvan maakte ik mee tijdens een vergadering van de Commissie voor de Werkwijze van de Kamer op 15 maart 2004 (Handelingen Tweede Kamer, 2003-2004, 29 262, nr. 8). Na een ontmoedigende reeks kritieken op het eigen functioneren namen de leden een motie aan waarin ze het Presidium verzochten “om binnen drie maanden met voorstellen te komen die gericht zijn op veranderingen in de cultuur van de werkwijze van de Kamer”. Weisglas als de voorzitter van dat Presidium wees die motie af met de woorden ‘doe het zelf maar’. Daarmee aangevende dat een plan van aanpak tot een fundamentele verandering van de werkwijze in de Kamer uit de leden zelf moest komen. En dus kwam er niets uit, totdat Jan Schinkelshoek, in 2006 collega in de Nationale Conventie, vrij snel na zijn aantreden als CDA-Kamerlid, een motie kreeg aangenomen tot het instellen van een Commissie Zelfreflectie. Wellicht komt deze commissie met voorstellen zoals ze in de Commissie voor de Werkwijze op 15 maart 2004 bedoeld waren?

Wat is nu de situatie? Een overvloed van externe publicaties – waaronder ook van de Raad van State en van de Nationale Ombudsman – gevoegd bij de eigen kritiek vanuit de Kamer zelf, bewijst keer op keer dat de Kamer daadwerkelijk één groot ritueel is. Dat ontkennen is een zeer ernstige zaak. Als u wil weten wat ik daar precies mee bedoel tref ik een vergelijking met de strafbaarstelling van het ontkennen van de Holocaust. De gruwelijkheid van deze vergelijking besef ik terdege. Voordat u briesend opspringt verzoek ik u voor u zelf een beeld te vormen van de toekomst van ons land als persisteren in het ontkennen van de fundamentele zwakte van de Tweede Kamer als collectief belangrijker wordt geacht dan deze in volle ernst te onderkennen en bespreekbaar te maken. Zeker nu ook de leden van de Kamer in het algemeen, en van de Commissie voor de Werkwijze in het bijzonder, formeel en informeel niet aflatend klagen over de slechte manier waarop ze functioneren en hun werk verrichten en om die reden zelfs een Commissie Zelfreflectie hebben ingesteld. Wat is dan nog de zin van De Graafs uitspraak dat de mores op het Binnenhof zich verzetten tegen kritische opmerkingen vanuit het kabinet over het functioneren van de Kamer? Welk verheven doel dient dat? Geldt voor die mores dan niet het panta rhei van Heraclitus? En ziet men dan niet dat met het ontkennen daarvan de Kamer zelf zijn eigen graf steeds dieper graaft en met steeds slechtere besluitvorming de samenleving onherstelbaar beschadigt?

Inleiding van Gerdi Verbeet
U kunt de volledige tekst lezen door hier te klikken. Ik beperk me tot de stelling van de Kamervoorzitter dat zij geen taak heeft in het tot de orde roepen of zelfs verwijderen van Kamerleden als het gaat om taalgebruik dat niet door de beugel kan.

Laten we eerst even terugblikken. Op 6 september 2007 voegde Geert Wilders in het eerste debat na het zomerreces Ella Vogelaar toe dat ze ‘knettergek’ was met haar multiculturele manier van denken over de integratie van etnische minderheden in ons land. Noch de premier, noch de voorzitter greep toen in. De premier kan zich ‘verschuilen’ achter de hierboven genoemde mores op het Binnenhof. De voorzitter, daarop aangesproken in de media, gaf te kennen dat ze geen instrumenten had om leden tot de orde te roepen. Op 10 september 2007 plaatste ik een bijdrage op deze site om aan te geven dat zij in artikel 58, lid 2 van het Reglement van Orde wel degelijk zo’n instrument heeft. In de loop van 2007/2008 heeft de Kamervoorzitter haar mening bijgesteld en die luidt nu, ik citeer de desbetreffende passage uit haar speech van 18 november 2008:

“Zo is voor mijzelf volstrekt duidelijk, dat elk lid van de Kamer het recht heeft vrijuit en op zijn eigen manier zijn mening te verkondigen. Dat geldt met name voor het geluid van minderheden in de Kamer. Ik verbaas mij wel eens over stukken in de krant, waarin ik word aangespoord leden de mond te snoeren of zelfs het gebouw uit te laten zetten. Dat is niet mijn opvatting van democratie. Ieder lid heeft het recht zijn eigen toon te kiezen om argumenten kracht bij te zetten.

Om Menno ter Braak te citeren: het gaat niet om de vorm, het gaat om de vent. Het gaat niet om het kostuum, maar om de inhoud. En zoals ik bij de voorbereiding van het Jaarboek tegen Carla van Baalen zei: het kostuum varieert van campingoutfit tot baljurk.

De Voorzitter kiest geen partij in de vraag over taal of toon in het debat. Mijn rol is het om er toe bij te dragen, dat de Kamer haar werk beter, vruchtbaarder en overtuigender kan doen en zo aan gezag zal winnen.

Het proces van zelfreflectie dat de Kamer in deze tijd doorloopt, is hierbij uiteraard belangrijk. De drie overwegingen die ik u zojuist heb voorgehouden, kunnen daaraan wellicht een bijdrage leveren.

Voor mij is dat de manier om invulling geven aan de taakomschrijving die ik aan het begin van mijn verhaal noemde. Ik wil graag de Kamer “tot grote hoogte en waardigheid opvoeren” – maar wel op de manier die past bij deze tijd.”

In mijn woorden zegt de Kamervoorzitter: ‘Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is en het is niet mijn taak en verantwoordelijkheid om daarin een zeker kwaliteitsniveau te handhaven.’ Ze rept niet langer over de afwezigheid van middelen, ze betrekt de stelling dat het haar taak niet is. Merkwaardig dat dit dan niet hoort tot de mores van het Binnenhof. Men kan elkaar en het kabinet ongestraft plat, beledigend en gemeen bejegenen. Hoe zou de Kamer hebben gereageerd als Nawijn de Kamer 'knettergek' zou hebben genoemd? En het houdt niet op. Zo sprak Geert Wilders in oktober 2008 bij het debat over het aftreden van minister Vogelaar over ‘gekke Ella’ en antwoordde hij op het protest van Mariëtte Hamer (onder verwijzing naar de brief die hieronder staat) dat hij geen millimeter afstand van die woorden wenste te nemen ook al stuurde de leden van de Tweede Kamer honderdduizend brieven. Als dat repeterend schelden al in de Tweede Kamer begint, waarom verbaas je je dan over het feit dat Marokkaans-Nederlandse jongeren voorbijlopende meisjes voor hoer uitschelden? Met een variatie op wat de parlementaire enquêtecommissie bouwsubsidies zei: 'Een overheid die zich niet houdt aan de door haarzelf uitgevaardigde regels verliest aanspraak op normconform gedrag van de burger' kan men volhouden: 'Een Kamerlid dat zichzelf niet houdt aan de regels van elementair fatsoen verliest zijn aanspraak om anderen daarop aan te spreken.'

Desondanks – zo is de Kamervoorzitter blijkens de derde alinea van het bovenstaand citaat van mening – kan de Kamer aan gezag winnen. Dat dit in ernstige mate betwijfeld kan worden is ook het gevoelen van een handvol Kamerleden, tezamen de meerderheid vertegenwoordigend, die op 7 oktober 2008, dus ruim een jaar na de uitspraken van Wilders, aan de Kamervoorzitter de volgende brief hebben gestuurd.

“Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Mevrouw G.A. Verbeet

Den Haag, 7 oktober 2008

Geachte voorzitter,

Dit voorjaar ontstond discussie over soms gebezigd parlementair onwaardig taalgebruik waarbij naar ons oordeel verbale fatsoensnormen worden overschreden. Dit kan het gezag van de volksvertegenwoordiging ondermijnen, geeft aan de samenleving verkeerde normerende signalen (voorbeeldwerking) en getuigt ook niet van een zekere mate van respect voor politiek andersdenkenden. Deze constatering betreft soms de verbale bejegening tussen leden van de Kamer onderling, soms ook tussen leden van de Kamer en bewindspersonen. Voor de goede orde, het is niet onze bedoeling ook maar iets af te doen aan de scherpte en argumentatie van en in het parlementaire debat. Integendeel, een vrij en open parlementair debat is essentieel voor het functioneren van onze parlementaire democratie: daar moet inhoudelijk alles gezegd kunnen worden. Waar het ons wel om gaat zijn het hanteren van beledigende of  kwetsende teksten of teksten die inbreuk maken op de integriteit van mensen die zich in het debat zelf niet kunnen verweren.
In dit verband is de suggestie aan de orde gesteld om het in 2001 uit het R.v.O. verwijderde artikel 61 (de “schrapbepaling”) weer op te nemen. Hieraan zijn voor- en nadelen verbonden, die in het verleden in discussies daarover ook uitvoerig aan de orde zijn geweest. Omdat dit uit een oogpunt van effectiviteit meer dan een “dode bepaling” in het R.v.O. zou moeten zijn en handhaving van een dergelijke bepaling daarvoor essentieel is zijn wij na ampele overweging tot de conclusie gekomen vooralsnog niet tot dit voorstel over te gaan.
Daarbij hebben wij met name ook overwogen – in lijn met de in 2001 door de commissie voor de werkwijze gehanteerde argumenten om onderhavige bevoegdheid van de voorzitter uit het R.v.O. te laten vervallen -  dat het huidige R.v.O. op zich voldoende instrumenten bevat om naar ons oordeel ontoelaatbaar parlementair taalgebruik tegen te gaan. In dit verband zijn met name de artikelen 58, lid 2, 59 en 60 relevant.
Uit effectiviteitsoogpunt dienen die bepalingen dan echter nadrukkelijk wel eenduidig en stringent door de fungerend voorzitter van de Kamer te worden gehanteerd. Wij realiseren ons dat de voorzitter zich daarbij gesteund moet weten door een ruime meerderheid in de Kamer en dat over een consequente handhaving van deze parlementaire gedragsregels brede consensus moet bestaan.
Codificering zou in dit verband een te overwegen hulpmiddel kunnen zijn. Over de handhaving van deze bestaande gedragsregels zouden wij een gesprek met u c.q. het Presidium op prijs stellen.

Met hoogachting en vriendelijke groet,

Johan Remkes 
Jeroen Dijsselbloem 
Liesbeth Spies 
Jan Boelhouwer
Charlie Aptroot
Jan Schinkelshoek
Arie Slob”

Deze Kamerleden geven daarmee onder meer aan dat ze in de gaten hebben dat verkeerd voorbeeldgedrag van de Tweede Kamer negatief uitwerkt op het gedrag van burgers in de samenleving. In mijn woorden: ‘de politiek krijgt de samenleving die ze verdient’.

Het lijkt de Kamervoorzitter niet te deren. Door op 18 november 2008 te melden dat ze niet van haar bevoegdheden gebruik zal maken om onwelvoeglijk taalgebruik in de Kamer te bestrijden neemt ze hetzelfde standpunt in als haar voorganger Weisglas die – zoals hierboven beschreven – de wens van de Kamer om met een plan een drastische cultuurverandering in de Kamer door te voeren beantwoordde met ‘doe het zelf maar’. Maar als politiek leiderschap niet begint bij de eerste burger van het land, bij wie moet het dan beginnen?