Bestuur en Beleid Vlaanderen Identiteit Vlaanderen Nederland

Identiteit Vlaanderen Nederland

door Leo Klinkers (25 januari 2008)

Nadat in oktober 2005 de Vlaamse regering Nederland verrastte met haar Strategienota Nederland verscheen in februari 2006 het Civis Mundi Jaarboek, getiteld Nederlandse en Vlaamse identiteit. Betekenis, onderlinge relatie en perspectief. Dit jaarboek is een van de vele belangrijke documenten van de hand van Wim Couwenberg, emeritus hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Het is een bundel van negen bijdragen van Vlaamse en Nederlandse schrijvers die de wederzijdse betrekkingen een warm hart toedragen. Daarin vindt de lezer ook interessante gedachten over mogelijke versterkte samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland in Beneluxverband.

Ik beperk me hier tot het publiceren van de toespraak waarmee Wim Couwenberg het boek aanbood aan de diplomatieke vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Nederland op 26 april 2006. Beter dan hij zelf kan niemand het doel en de inhoud van dit jaarboek omschrijven. 

Aanbieding Civis Mundi jaarboek 2006 ‘Nederlandse en Vlaamse identiteit’ op 26 april. ten huize van de Vlaamse Vertegenwoordiging in Den Haag

Ik zou willen beginnen met een woord van dank aan dhr. Axel Buyse. Dat hij mij in de gelegenheid stelt vandaag aan hem als vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Nederland het eerste exemplaar van het Civis Mundi jaarboek 2006 getiteld: Nederlandse en Vlaamse identiteit symbolisch aan te bieden stel ik uiteraard zeer op prijs. Het gaat in dit boek om een aantal controversiële kwesties die daarin opnieuw ter discussie gesteld worden, in de eerste plaats de vraag of er sprake is van een nationale, i.c. Nederlandse en Vlaamse identiteit en zo ja, hoe die op adequate wijze te omlijnen. Het idee van een nationale identiteit is lange tijd omstreden geweest. Door toonaangevende elites van de jaren zestig-generatie is het als irrelevant terzijde geschoven en tot een van haar taboes gemaakt. De eerste keer dat ik dit idee aan de orde stelde was in 1967 toen met de ontzuiling de dominante identiteit die velen tot dan toe in eerste instantie aan hun zuil ontleenden, in verval raakten. Nederland was toen in de ban van een supranationaal Europees idealisme. Die supranationaliteit, zo stelde ik als Europees federalist, dient echter niet zover te gaan dat onze Nederlandse identiteit daarin geheel ten onder gaat. In de ogen van de jaren zestig-generatie paste dat idee echter niet langer in een moderne cultuur met toenemende individualisering en internationalisering. De Utrechtse historicus Righart die tot die generatie behoorde herinnerde daar in 1992 nog eens aan in zijn boek Het einde van Nederland. Nu de zuilen er niet meer zijn, kan Nederland het beste in Europa op gaan. Meer dan welk ander land is Nederland klaar voor Europese eenwording, aldus deze historicus in 1992. In het licht van de Nederlandse afwijzing van het ontwerp voor een Europese grondwet doet dit standpunt nu zeer gedateerd aan. Begin jaren tachtig heb ik het idee van een nationale identiteit opnieuw aan de orde gesteld in het Civis Mundi jaarboek 1981, getiteld De Nederlandse natie met het oog op de ontwikkeling van Nederland tot een multiculturele of beter gezegd multi-etnische samenleving en de integratie van etnische minderheden in ons midden als nieuwe politieke opgave. Dat betoog werd toen echter nog als een kwalijke uiting van racisme aan de kaak gesteld. Sinds de jaren negentig en nog meer sinds de Fortuyn-revolte in 2002 is die integratie inmiddels in brede kring aanvaard. En nu we van allochtonen verlangen dat zij zich in onze samenleving en cultuur integreren valt ook de vraag wie we als natie en cultuur zijn niet langer te negeren. Ook aan de politieke linkerzijde stuit dat niet langer op scepsis en verzet zoals voorheen.

Mits we nationale identiteit opvatten als een complex en dynamisch concept is het, zo is het uitgangspunt van ons boek, een wetenschappelijk serieus te nemen begrip. In nationaal verband overkoepelt het allerlei bijzondere identiteiten en loyaliteiten eveneens uiteenlopende tradities en duidt het zodoende op een zekere culturele integratie; in internationaal verband ontpopt het zich daarentegen juist als expressie van culturele pluriformiteit. Als deelgenoten van verschillende identiteitsbepalende verbanden zijn we uiteraard steeds dragers van een meervoudige identiteit die zich uitstrekt van het subnationale niveau tot dat van de wereldmaatschappij en die in het jaarboek tegenover het abstracte kosmopolitisme van een transnationale wereldelite die geen boodschap meer zegt te hebben aan zoiets voorbijgestreefds als nationale identiteit en cultuur nader omlijnd wordt als organisch geworteld en pluralistisch geleed kosmopolitisch besef. Het is een besef dat geheel in de lijn ligt van de ‘global paradox’ zoals die paradox door de Amerikaanse auteur Naisbitt in 1994 in zijn bekende boek daarover gesignaleerd is. Toenemende globalisering gaat namelijk hand in hand met een herlevend lokaal, regionaal en nationaal identiteitsbesef. In het mondiale integratieproces van onze tijd is de nationale dimensie nog steeds een belangrijke schakel die onze manier van denken en doen mede blijft bepalen. Nergens ter wereld wil men zo graag wereldburger zijn als in Nederland, aldus Nederland-kenner Herman Pley. Maar dat wereldburgerschap kan alleen maar goed tot zijn recht komen als men dat beleeft vanuit een actieve betrokkenheid ook bij de eigen nationale cultuur.

Dat een nationale, dus ook een Nederlandse en Vlaamse identiteit, in voortdurende ontwikkeling is en dus onderhevig aan een periodiek proces van reconstructie, is voor ons geen punt van discussie. Zo zien we bijvoorbeeld in de zich ontwikkelende Nederlandse identiteit sinds de Fortuyn-revolte en de naderbij komende terrorismedreiging een aantal duidelijke accentverschuivingen. Maar een harde kern van die identiteit blijft niettemin herkenbaar. Dat Nederland de laatste jaren fundamenteel en voorgoed veranderd zou zijn en daardoor onherkenbaar geworden is, zoals de laatste tijd beweerd wordt, is daarom een overdreven reactie op die accentverschuivingen.

De Nederlandse cultuur kenmerkt zich zoals u weet door een sterk moreel zelfbewustzijn, ja een zeker moreel getint nationalisme. Dat uit zich ook in de neiging de eigen identiteit primair te associëren met bepaalde morele kwaliteiten als vrijheid, openheid, tolerantie, consensustraditie e.d. en veel minder met culturele integratiefactoren als een eigen taal, een eigen geschiedenis en daarmee samenhangende cultuuruitingen en een eigen stijl van samenleven. Ik ben daarentegen geneigd nationale, i.c. Nederlandse en Vlaamse identiteit primair te omlijnen aan de hand van die culturele integratiefactoren. Zowel in Nederland als in Vlaanderen stuit die benadering onder bepaalde culturele elites op verzet vanwege haar etnisch-culturele oriëntatie. Die elites willen het idee van een nationale identiteit in lijn met de Franse laïcistische staatsidee liefst beperken tot constitutioneel patriottisme, d.w.z. staatsburgerschap en de daarmee samenhangende waarden van de democratische rechtsstaat zoals die aan de grondwet ten grondslag liggen. Probleem daarbij is wel dat die waarden in de zienswijze van die elites een universeel karakter hebben. Een specifieke nationale identiteit valt daaraan derhalve moeilijk te ontlenen. Als symbool van nationale identiteit heeft de grondwet althans in Nederland bovendien nauwelijks een rol van betekenis gespeeld. Zij wordt hier niet zoals bijvoorbeeld in Amerika, Duitsland en Frankrijk beleefd als expressie van gedeeld norm- en waardenbesef  maar voornamelijk opgevat als een samenstel van juridisch technische regels, een juristenbreiwerkje waar de bevolking weinig binding mee heeft. Een heel ander karakter heeft daarentegen de onlangs ontworpen grondwet voor Vlaanderen. Die belichaamt veel meer een materieel en inspirerend grondwetsconcept vooral ook doordat dat ontwerp ingeleid wordt door een preambuele met bindende en richtinggevende waarden, waardoor het een belangrijk constitutioneel symbool van Vlaamse identiteit kan worden.

De problematiek van de Nederlandse identiteit krijgt in het jaarboek ruimschoots aandacht in de bijdragen van Leo Wessels en van mijzelf. Wessels wijst daarbij terecht op de gangbare neiging waar ik zelf evenmin aan ontkom om de Nederlandse identiteit zondermeer op één lijn te stellen met die van Holland, Holland dus als pars pro toto. In relatie tot Vlaanderen moeten we ons daar juist voor hoeden. In lijn met eerder genoemde culturele identificatiefactoren wordt de Nederlandse identiteit in de eerste plaats omlijnd aan de hand van de eigen taal en geschiedenis en specifiek Nederlandse cultuuruitingen als onze typisch Nederlandse schilderkunst, onze literaire traditie, onze volkscultuur en de wijze waarop we hier generaties lang het landschap vorm gegeven hebben. Die identiteit onderscheidt zich voorts door een eigen stijl van samenleven, tot uiting komend in een aantal gemeenschappelijke stijlkenmerken met name onze tolerantietraditie, het polderen als bestuurstraditie, onze diversiteitscultus, d.w.z. het cultiveren van wat ons in groepsverband onderscheidt, met de verzuiling als saillant hoogtepunt, onze burgerlijke levensoriëntatie en daarmee samenhangende burgerdeugden zoals onze vrijheidszin, onze traditie van pragmatisch koopmansschap die hier op geheel eigen wijze samengaat met een sterke neiging tot moraliseren; onze egalitaire traditie die op haar beurt op even eigenaardige wijze hand in hand gaat met een elitaire traditie zoals die tot uiting komt in een vanzelfsprekend geachte regentenmentaliteit onder onze politiek-bestuurlijke elites en sinds de 19e eeuw ook in een monarchale traditie; en tenslotte een sterk feminiene, op zorg en dienstbetoon gerichte traditie. Al deze stijlkenmerken zijn voortgekomen uit de rivaliteit en wisselwerking tussen twee diepgewortelde vaderlandse tradities, te weten een confessioneel-christelijke en een burgerlijk-liberale traditie die beide in onderlinge wisselwerking een sterk stempel gedrukt hebben op de ontwikkeling van die Nederlandse identiteit en de daarmee samenhangende pluralistische staatstraditie en politieke cultuur. Voorzover sceptici zoiets als een Nederlandse identiteit nu schoorvoetend erkennen zijn zij niettemin geneigd die identiteit zoveel mogelijk te relativeren tot een zwakke en dunne identiteit. Maar vooral als het om onze stijl van samenleven gaat kenmerkt Nederland zich juist door een sterk ontwikkelde eigen identiteit zoals al degenen ervaren hebben die die stijl op bepaalde punten ter discussie gesteld hebben, bij hun streven b.v. naar staatskundig en bestuurlijke vernieuwing.

Vergeleken met de Nederlandse identiteitsproblematiek is die in België nog heel wat complexer. De buitengewoon ingewikkelde politieke structuur van dat land is daarvan een saillante illustratie. Voor Nederlanders is België dan ook een moeilijk te doorgronden land, constateerde bij zijn afscheid de Nederlandse oud-ambassadeur in België A. van Dongen. Maar doorgaans doen we daar ook niet veel moeite voor, voegde hij daaraan toe. Wat weten Nederlanders eigenlijk van Vlamingen? Het is een vraag die de correspondent van NRC Handelsblad in België onlangs terecht opwierp, daarbij wijzend op de geringe aandacht in de Nederlandse media voor Vlaanderen. Met dit boek hopen we in Nederland de schrale interesse voor Vlaanderen en de intrigerende Belgische identiteitsproblematiek een nieuwe impuls te geven. Op de keper beschouwd is er bij onze zuiderburen een belangwekkend samenlevingsexperiment gaande dat zowel in politiek-sociologisch als constitutioneel opzicht alleszins onze aandacht verdient. Wat bij de analyse van de Belgische identiteitsproblematiek o.a. opvalt is dat de Belgische context aan Waalse zijde nog altijd een heel belangrijke rol speelt als bron van politieke en culturele identificatie terwijl dat aan Vlaamse zijde heel anders ligt. Het Vlaamse identiteitsbesef is juist sterk gestimuleerd door de Vlaamse strijd tegen Franstalig georiënteerd België en de onderdrukking van de eigen Nederlandse taal in dat België. Dat verklaart ook het veel sterkere taalbewustzijn in Vlaanderen dan in Nederland. De cultivering van Vlaams identiteitsbesef is ook sterk gepolitiseerd geraakt. Door neobelgicistische Vlaamse intellectuelen wordt het geassocieerd met bekrompen provincialisme en rechtse sentimenten. Maar diezelfde intellectuelen zien er geen been in wel een Belgische identiteit te omhelzen vanwege het surrealistische karakter ervan. Zoals Nederbelg Paul Wouters opmerkt, is Vlaanderen echter anders dan België een merk in opkomst, een merk waaraan een positieve identiteit te ontlenen valt.

Hoe belangrijk de taal als identificatiefactor is zien we opnieuw zonneklaar in België. De taalgrens blijkt daar namelijk van grotere betekenis en invloed te zijn dan de overeenkomsten in mentaliteit tussen Walen en Vlamingen die qua mentaliteit meer met elkaar gemeen blijken te hebben dan Vlamingen met Nederlanders. Door die taalgrens en hand in hand hiermee uiteenlopende maatschappelijke belangen en politieke oriëntaties groeien beide cultuurgemeenschappen steeds meer uit elkaar. Het huidige Belgische federale model kan daarvoor slechts een tijdelijke oplossing bieden. Het gaat mank aan grote constructiefouten zoals de afwezigheid van een juridische hiërarchie tussen het federale en deelstaatniveau, grondwettelijk verankerde pariteitseisen die de besluitvorming ernstig bemoeilijken en een dualistische federale structuur. Vandaar dat de toekomst van België als staatkundig verband al sinds jaren ter discussie staat.

Vlaanderen is een natiestaat in wording, zo wordt in het jaarboek door meerdere medewerkers opgemerkt. Dat staatkundige wordingsproces stuit vooralsnog wel op een aantal obstakels. Daarbij staan nu twee opties ter discussie: de ontwikkeling van Vlaanderen als zelfstandig lid van de EU zoals onlangs bepleit is in het Manifest van de Warande-groep; of een confederaal model waarin het zwaartepunt van de politieke macht komt te liggen bij de deelstaten, een optie waarop de Vlaamse filosoof Ludo Abicht al gezinspeeld heeft in zijn bijdrage in het Civis Mundi jaarboek 1998, getiteld Nederland en de toekomst van Vlaanderen. Abicht acht een ontwikkeling in die confederale richting praktisch onvermijdelijk. Dat lijkt mij ook de meest waarschijnlijke ontwikkeling.

De betekenis en de toekomst van de Vlaamse identiteit worden in het jaarboek nader uitgewerkt door Rik Gysels, Annick Schramme, Derk-Jan Eppink en Jaak Peeters; de relatie tussen de Nederlandse en Vlaamse identiteit in de bijdragen van Derk-Jan Eppink, Herman Suykerbuyk, Leo Wessels en Annick Schramme en de toekomst van de Nederlands-Vlaamse betrekkingen en de Benelux vooral in de bijdragen van respectievelijk Paul Beugels en Paul Wouters. Bij die laatste twee onderwerpen nog een korte kantekening.

Met de voortschrijdende verzwakking van Nederland als staatsnatie door het proces van Europese integratie en economische globalisering zullen we van Nederlandse zijde meer aandacht moeten krijgen voor de vraag hoe we onze positie als cultuurnatie in stand kunnen houden en versterken. Het antwoord daarop ligt eigenlijk voor de hand: door meer in die eigen cultuur te gaan geloven en haar door doelbewuste inspanning op te krikken tot een hoger concurrerend ontwikkelingsniveau in de context van onze Europese beschaving; en voorts door versterking en uitbreiding van onze samenwerking met de Nederlandstalige cultuur in België, die zich na veel tegenwerking en strijd inmiddels ontwikkeld heeft tot een geheel eigen boeiende variant van de Nederlandstalige cultuur. Die Vlaams-Nederlandse samenwerking heeft nog steeds teveel een vrijblijvend karakter. Zij blijft teveel steken in ad hoc projecten en in moeizaam voortslepende dossiers zoals nu weer het dossier over de IJzeren Rijn dat van Nederlandse zijde in strijd met de uitspraak van het Hof van Arbitrage bewust vertraagd wordt vanwege de financiële problematiek van de Betuwelijn.

In aansluiting op wat sinds de vorige eeuw al gegroeid is aan structurele samenwerking wordt in het jaarboek opnieuw een lans gebroken voor een culturele alliantie tussen Nederland en Vlaanderen die zich ook internationaal profileert. We haken daarbij in op de strategienota Nederland van de Vlaamse regering van 31 oktober 2005 die, aldus de NRC Handelsblad-correspondent in België, leest als een lange liefdesverklaring aan Nederland. Nederland wordt daarin op tal van terreinen als de meest prioritaire partner van Vlaanderen gepresenteerd. Vandaar dat Nederland het eerste land is waaraan een dergelijke strategienota gewijd wordt.  De ontwikkeling van zo’n strategische alliantie vergt aan Nederlandse zijde niet minder dan een cultuuromslag. Dat aan die Vlaamse strategienota in de Nederlandse media nauwelijks aandacht gewijd is, illustreert dat opnieuw op saillante wijze. In het jaarboek is het vooral Paul Beugels die op die problematiek en het bedroevende gebrek aan belangstelling tot nu toe aan Nederlandse zijde voor die Vlaamse handreiking uitvoerig ingaat in een bijdrage onder de sprekende titel: Cultureel bondgenootschap met Vlaanderen – een slepend en gênant Nederlands probleem.

De Vlaams-Nederlandse samenwerking zit ingekapseld in een nu nog moeilijk te overzien geheel van Belgische en Vlaams-Nederlandse verdragen. Met het oog daarop groeit de behoefte aan een algeheel samenwerkingsverdrag tussen Nederland en Vlaanderen die alle tussen beide bestaande verdragen omvat. Dat impliceert tevens dat wat op bilateraal niveau tussen Nederland en Vlaanderen te regelen valt losgemaakt moet worden uit het Benelux-verdrag. Dat verdrag loopt in 2008/2010 af. Over de toekomst van de Benelux komt de publieke discussie helaas vooralsnog nauwelijks op gang. In het jaarboek wordt die toekomst echter nadrukkelijk mede ter discussie gesteld. Dankzij de Europese integratie is de oude territoriale machtsstrijd in Europa verdwenen. Maar daar is een andere machtsstrijd voor in de plaats gekomen, de strijd namelijk voor handhaving of versterking van de eigen machtspositie in Europese instellingen en bij de onderhandelingen over concrete Europese dossiers. Doordat in een zich verder uitbreidende EU de Benelux-landen in Europees verband meer en meer aan politieke invloed inboeten, rijst vanzelf de vraag: hoe dat te pareren?

We kunnen dat natuurlijk doen door wisselende allianties met gelijkgestemde lidstaten te sluiten, maar ook door regionale coalities te vormen van meer duurzame aard. Met het oog daarop wordt in het jaarboek opnieuw een lans gebroken voor de ontwikkeling van de Benelux tot een politieke unie, dus een politieke krachtenbundeling die de lage landen in staat stelt in principe als eenheid in Europees verband op te treden. Nu de Benelux als economische unie door de EU ingehaald en overbodig gemaakt is en nu wat tussen Vlaanderen en Nederland bilateraal aan de orde is, beter rechtstreeks tussen beide geregeld kan worden is zo’n politieke unie de enige manier om de Benelux een nieuw inspirerend perspectief te bieden. In het jaarboek wordt aan dat nieuwe toekomstperspectief door Paul Wouters niettemin hevig getwijfeld. Hij ziet daar geen gat meer in. Dat doet in feite ook HP/De Tijd-columnist Dirk-Jan van Baar wanneer hij opmerkt dat we de Benelux alleen nog in stand zouden moeten houden ten dienste van de instandhouding van België als staatkundig verband. Deze tegenspraak en scepsis zijn zeer welkom. Want zonder tegenspraak komt er geen discussie op gang. Ik heb zelf overigens ook een drietal problemen gesignaleerd die zo’n Benelux politieke unie in de weg staan. Maar gezien het grote economische en politieke potentieel dat in de Benelux voorhanden is, is het te vroeg de Benelux als samenwerkingsverband nu al af te schrijven en is er alle reden verder na te denken over een nieuwe opzet. Dat vindt ook PvdA-leider Wouter Bos. Nederland zou er goed aan doen meer te investeren in nauwere politieke samenwerking met verwante landen zoals dat in de Benelux het geval is, zo schrijft hij in het kader van zijn visie op de toekomst van Europa. Wel zal de politieke koers van België en Nederland dan veel meer op elkaar afgestemd moeten worden.

De huidige onzekerheid over de positie en toekomst van Nederland als staats- en cultuurnatie uit zich ook in te eenzijdig nationaal navelstaren. Daar moeten we zo spoedig mogelijk van af. Want dat staat haaks op onze traditionele internationale oriëntatie. En die moeten we nu meer dan ooit cultiveren om ons als kleine natie staande te kunnen houden in de internationale concurrentiestrijd, met name ook door meer dan voorheen over onze zuidelijke grens heen te kijken en zodoende meer oog te krijgen voor het belang van internationale samenwerking met onze zuiderburen. België is zoals u weet al onze tweede handelspartner. De meeste handelsrelaties hebben we overigens met Vlaanderen. Dat we bij het streven naar meer samenwerking op duidelijke cultuurverschillen stuiten, is de afgelopen jaren van allerlei kanten nu wel voldoende in het licht gesteld, het meest grondig door Geert Hofstede, al ben ik het op één punt niet met hem eens. Dat onze zuiderburen een sterkere neiging tot onzekerheidsmijding eigen is, dat zij meer op zeker willen spelen dan Nederlanders, zoals Hofstede stelt, valt mijns inziens te betwisten. Nederlanders verzekeren zich tegen bijna alle risico’s die zij lopen en organiseren en plannen bijna alles zoveel mogelijk tot in de puntjes. Diep verankerd in de Nederlandse politieke cultuur is een sterk risicomijdende mentaliteit. Vlamingen/Belgen plegen zich daarentegen veel meer al improviserend en hun plan trekkend door het leven te slaan. Qua culturele identiteit lijken Nederlanders blijkens Hofstede’s onderzoek het meest op de Scandinavische landen. Maar in geografisch, economisch en cultureel opzicht hebben zij veel meer te maken met hun zuiderburen. Vandaar dat in dit jaarboek opnieuw het grote Nederlandse belang benadrukt wordt om de historisch gegroeide samenwerking met hen verder uit te bouwen en daarbij dankbaar in te haken op de kansen die de strategienota Nederland van de Vlaamse regering daartoe biedt. Die strategienota biedt de Nederlandse natie tevens een gepaste gelegenheid over haar huidige navelstaarderij heen te raken en samen met Vlaanderen die dingen aan te pakken die we samen beter kunnen realiseren dan ieder voor zich. Zo hadden we bijvoorbeeld veel beter samen met Vlaanderen en België de al bestaande IJzeren Rijn kunnen moderniseren dan via de onrendabel blijkende Betuwelijn een gloednieuw spoorwegtraject aan te leggen met alle negatieve milieu-effecten vandien.

S.W. Couwenberg