Bestuur en Beleid Vlaanderen Solidariteit Vlaanderen Nederland

Solidariteit Vlaanderen Nederland

door Leo Klinkers

In NRC Handelsblad van 12 juli 2007 bespreekt J.L. Heldring in een van zijn doorwrochte columns een boek van een twintigtal Vlaamse intellectuelen: Waar België voor staat: een toekomstvisie(Manteau 2007). Het is een bundel beschouwingen, zo schrijft Heldring, over de toekomst van België. De auteurs bepleiten – ieder op zijn of haar manier – het voortbestaan van België, dus geen splitsing van Vlaanderen en Wallonië.  Heldring meldt dat volgens een van de auteurs een overdonderende meerderheid der Belgen tegen zo’n splitsing zou zijn.

Getalsmatig kan het zijn dat een meerderheid van de Belgen voor het behoud van de huidige federale staat is en niet wil dat het huidige proces van verdergaande federalisering uitmondt in een confederale staat. We mogen aannemen dat bijna alle Walen daartegen zijn, omdat ze dan economisch ten onder zullen gaan: Vlaanderen is de economische motor van België en steunt Wallonië jaarlijks met zeer veel geld. Ongetwijfeld zijn er ook Vlamingen die de eenheid in verscheidenheid willen handhaven. Maar als men sectoraal naar deze zaak kijkt, ontkomt men toch niet aan de indruk dat er in de wereld van de Vlaamse politiek, de wetenschap, het bedrijfsleven, de media en de maatschappelijke organisaties een meerderheid voor verzelfstandiging van Vlaanderen is. Waarom? Omdat de gedurfde staatkundige hervormingen vanaf de jaren zeventig het land een grote mate van politieke stabiliteit hebben gebracht en – vooral Vlaanderen – een ongekende economische vooruitgang. Na zevenhonderd jaar veroordeeld te zijn geweest tot armoede als men in het Nederlands-sprekende deel geboren werd, is dat bepaald een omwenteling die men graag blijvend wil verzilveren, zonder Wallonië als ballast te moeten meeslepen.

De jongste federale verkiezingen van 10 juni 2007 stonden voor een deel in het teken van nieuwe staatkundige hervormingen, gericht op een dergelijke verzelfstandiging. Maar een regeerakkoord en een nieuwe coalitie, die dat mogelijk zouden moeten maken, zijn nog niet gereed. Of het ervan komt in de aanstaande regeringsperiode, is dus nog de vraag.

Interessant is de volgende stelling van Heldring: “Over Vlaamse solidariteit met Nederland (-) zwijgt het boek. Terecht. In de eerste plaats zou een verklaring of pleidooi van die strekking op de Walen, voor wie dit boek bestemd is, als een rode lap op de stier hebben gewerkt. In de tweede plaats bestaat zo’n solidariteit niet, noch aan Nederlandse noch aan Vlaamse kant.” Ter adstructie wijst Heldring op de smalende manier waarop de federale bewindslieden Karel De Gucht en Freya Van Den Bossche af en toe spreken over Nederland en de Nederlandse inbreng in Europa.

Heldrings eerste argument is correct. Om gevoelige Waalse tenen niet onnodig te kwetsen is het verstandig om de Vlaams-Nederlandse solidariteit niet breed uit te meten. Maar bij de juistheid van het tweede argument plaats ik toch vraagtekens. Dat Nederland geen solidariteit met Vlaanderen kent, is inderdaad juist en heeft een specifieke reden: het zou worden uitgelegd als een inmenging in de gevoelige Belgische politieke verhoudingen. Mede door deze terughoudendheid is er in Nederland weinig bekend over wat er werkelijk in Vlaanderen speelt. Noch weet men van de bijzondere vitaliteit van het Vlaamse politieke systeem, dat in staat is de ingewikkeldste problemen op te lossen zonder op elkaar te schieten.

Er zijn echter wel degelijk sprekende voorbeelden van Vlaamse solidariteit met Nederland. Om die te vinden moet men door de korzelige en ironiserende opmerkingen van De Gucht (overigens een van de beste politici in Europa) heenkijken. Ik noem er drie.

In oktober 2005 lanceerde de Vlaamse minister van Buitenlandse Zaken, Geert Bourgeois, een uitgesproken nationalist (NVA), de Strategienota Nederland. Daarin wordt Nederland omarmd als prioritair land om zaken mee te doen op elk denkbaar gebied.

Een ander voorbeeld is de bijzondere manier waarop Nederland en Vlaanderen (politiek, bestuurlijk, ambtelijk, wetenschappelijk, economisch en milieu/natuurlijk) samenwerken in PROSES, het project tot verdieping van de Westerschelde om dieper stekende schepen tot Antwerpen toe te laten. Wat in dit zeer moeilijke project tot nu toe door beide landen samen is gepresteerd, kent zijn weerga niet. Nederland haalt een meerwaarde uit de extra veiligheid tegen overstromingen, plus ecologische compensaties, beide zo gevoelige onderwerpen in Zeeland. Hoewel de Vlaamse drive juist ontstond uit een economisch belang, dat wil zeggen de maritieme toegang tot de Antwerpse haven, zijn beide posities complementair: ook Vlaanderen heeft belang bij het bestrijden van overstromingen (de ramp in 1953 liet zich ook over de grens voelen) en bij het duurzaam gebruiken van het estuarium en de rivier. Nederland heeft op zijn beurt een afgeleid economisch belang bij de toegang tot Antwerpen, namelijk de activiteiten in Zuid-Nederland, een deel van het Antwerpse achterland (Zeeland, Noord-Brabant én Limburg). PROSES toont aan dat de geografische grens niet belet aan de verschillende belangen, maar ook aan de gedeelde belangen met andere zwaartepunten, in samenwerking tegemoet te komen.

Een laatste voorbeeld. Op 26 april 2006 is in Den Haag aan de diplomatieke vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Nederland, Axel Buyse, door Wim Couwenberg het Civis Mundi Jaarboek 2006 aangeboden. Onder redactie van Couwenberg bevat dat boek negen beschouwingen over de Nederlandse en Vlaamse identiteit. Het staat mede in het teken van de eerdergenoemde Strategienota Nederland.
Het komt mij voor dat de geschriften over afwezigheid van enige solidariteit tussen beide landen (als men mij toestaat Vlaanderen alvast een land te noemen) bepaald van minder omvang zijn dan de publicaties die – met respect voor de tegenstellingen – de wederzijdse toegevoegde waarde beschrijven.

De onloochenbaar aanwezige solidariteit tussen Vlaanderen en Nederland heeft alles te maken met de federalisering van België. Juist dat proces heeft intense bilaterale relaties mogelijk gemaakt. Voordien kon België niet aan de slag met Nederland omdat de Waalse politici desinteresse toonden of daar zelfs weigerachtig tegenover stonden, bijvoorbeeld in verband met de Nederlandse wens om akkoorden te sluiten over de Maas. Zulke politieke koppelingen vielen door de federalisering van het Belgische buitenlandbeleid weg (Vlaanderen heeft een eigen ministerie voor Buitenlandse Zaken), met de nu ruim tienjarige Vlaams-Nederlandse samenwerking tot gevolg.

Tot slot is het interessant dat Heldring zich een liefhebber van de tv-zender Canvas betoont. Misschien kan hij zijn invloed aanwenden bij zijn collega’s van NRC Handelsblad, die het dagelijkse tv-programma samenstellen. Daar heet het nog steeds België 1 en België 2, maar die bestaan niet. Er zijn geen Belgische omroepen. Alleen Waalse en Vlaamse. En de twee zenders van de Vlaamse publieke omroep heten ‘één’ en ‘Canvas’. Dat een kwaliteitskrant als NRC Handelsblad dit niet wenst te duiden, is een van de vele irritaties die Nederland in Vlaanderen oproept.