Bestuur en Beleid Vlaanderen Strategienota Nederland 2

Strategienota Nederland 2

door Leo Klinkers (25 januari 2008)

Als lid van de Nationale Conventie (januari-oktober 2006) hadden we te maken met een taakopdracht waarin het kabinet vroeg om ook aandacht te schenken aan de positie van Nederland in Europa. Het doel achter de Strategienota Nederland van de Vlaamse regering kan men op diverse manieren interpreteren. Een daarvan is de kennelijke wens van de Vlaamse regering om met een versterkt samenwerkingsverband een betere positie in de Europese politieke arena te verwerven, al dan niet langs de weg van een vernieuwd Benelux verdrag, wetende dat het huidige verdrag in 2008 afloopt.

Omdat naar mijn mening de Strategienota Nederland raakpunten had met de Conventie-werkgroepen Europa, Grondwet en Regering-parlement (vooral ook in de discussie over nationale identiteit), richtte ik mij bij brief van 30 april 2006 tot de voorzitter, Rein Jan Hoekstra, en de vicevoorzitter, Jouke de Vries, met het navolgende voorstel. Ik vermeld meteen dat daaraan vervolgens geen prioriteit is gegeven wegens de overstelpende werkzaamheden van de Nationale Conventie, en omdat het belang van dit onderwerp niet werd (h)erkend. Om te laten weten dat ook in de boezem van de Nationale Conventie deze belangrijke Vlaamse démarche richting Nederland is besproken, zij het in beperkte zin, publiceer ik mijn brief alsnog.

Aan     : Rein Jan Hoekstra (vz.) en Jouke de Vries (vice-vz.) Nationale Conventie
Kopie   : leden Nationale Conventie, Martin van Haeften, projectleider
Van     : Leo Klinkers
Betreft : Nationale Conventie en de relatie Nederland-Vlaanderen
Datum  : 30 april 2006

Dag Rein Jan en Jouke,

In jullie hoedanigheid van voorzitter en vice-voorzitter van de Nationale Conventie wil ik graag het volgende onder de aandacht brengen. De reden wordt in het stuk duidelijk. Omdat het de werkzaamheden raakt van onze werkgroepen Europa, Grondwet en Regering-Parlement stuur ik het in afschrift ook aan de andere leden van de Nationale Conventie. Sommige leden zijn er al van op de hoogte en willen graag meedoen aan hetgeen ik hierna voorstel.

Eerst de context.

Contacten buiten de Nationale Conventie hebben mij doen weten dat zij het een goede zaak zouden vinden als de Conventie uitspraken doet over de relatie Nederland-Vlaanderen in het licht van de positionering van Nederland in Europa. Gelet op de taakopdracht van artikel 2 van ons Instellingsbesluit, en mede gelet op de noodzaak om onze gedachten over Nederland in Europa niet alleen in legalistische zin, maar ook in optimistische en pro-actieve zin te formuleren, acht ik het correct om die externe wens in deze vorm aan jullie voor te leggen. Ook om daadwerkelijk invulling te geven aan de opdracht om onze rapportage te ontwikkelen in een open dialoog met de samenleving.

In de relatie Nederland-Vlaanderen spelen op dit moment enkele bijzondere zaken.

In oktober 2005 lanceerde de regering van Vlaanderen, via haar minister van Buitenlandse Zaken Geert Bourgeois, een Strategienota Nederland. De strekking van die nota is om de banden met Nederland aan te halen: taalkundig, educatief, cultureel, economisch, beleidsmatig, bestuurlijk en vooral ook politiek. Alles onder het motto om de gezamenlijke (culturele) identiteit te versterken. Dit is enkele weken geleden aan de orde geweest in het gesprek tussen de betrokken minister-presidenten, Balkenende en Leterme, in Brugge. Daar is afgesproken dat de Strategienota Nederland de basis zal vormen voor hun toekomstige ontmoetingen.

Op 26 april jl. is in Den Haag aan de diplomatieke vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Nederland, Axel Buyse, door Wim Couwenberg het Civis Mundi Jaarboek 2006 aangeboden. Onder redactie van Couwenberg bevat dat boek een negental beschouwingen over de Nederlandse en Vlaamse identiteit. Het staat mede in het teken van de zojuist genoemde Strategienota Nederland en de hierna te noemen Benelux. Terzijde: dit boek verwijst o.m. naar drie leden van de Nationale Conventie: Sap, Schinkelshoek en Klinkers.

Eind maart jl. hielden het Luxemburgse Instituut voor Europese en Internationale Studies en het Nederlandse Clingendael, in Schengen, een conferentie over de toekomst van de Benelux onder de titel ‘Benelux Revisited’. Alfred Pijpers, lid van de Nationale Conventie, was daarbij aanwezig. Zoals ook in een toenemend aantal andere bijeenkomsten over de BNL, ging het daar over de vraag naar de toekomst van de Benelux als in 2010 het vijftigjarige verdrag afloopt. Opgericht met een economische doelstelling is de Benelux op dat vlak voorbijgestreefd door de EU. Voldoende reden om de houdbaarheidsvraag te stellen. Het verslag van die bijeenkomst in Schengen stelt dat een grote meerderheid een voortzetting van de Benelux aangewezen acht, zij het onder een andere noemer. Wellicht in de vorm van een vernieuwing in de richting van een politieke unie.

Met het lanceren van de Strategienota Nederland creëert Vlaanderen tot op zekere hoogte een bijzondere diplomatieke problematiek voor Nederland. Terwijl wij ons graag met elk land in de wereld bemoeien, hanteert de Nederlandse overheid al vele jaren een soort non-interventiegedrag jegens de Belgische staat, bevreesd als het ware om verstrikt te raken in de interne communautaire verwikkelingen. De sinds 1970, in drie grote stappen uitgevoerde federalisering, heeft weliswaar de verhoudingen tussen Wallonië en Vlaanderen succesvol gepacificeerd, maar kent niettemin een ingebouwde instabiliteit. De federale staatsvorm is voor Vlaanderen een economisch, cultureel en politiek succes, waar dat voor Wallonië niet gezegd kan worden. De overdracht van centrale bevoegdheden aan de deelregeringen heeft inmiddels zulke vorm en inhoud aangenomen, dat Vlaanderen – mede wegens het feit dat het jaarlijks veel geld beschikbaar moet stellen voor achterstanden in Wallonië – steeds openlijker spreekt over de-federaliseren of confederaliseren. Waalse politici, alsook de Belgische Koning begin dit jaar, keren zich heftig tegen dit – wat zij noemen – Vlaamse separatisme. Maar dat werkt averechts. Niet alleen politici van steeds meer partijen dan alleen de Vlaams-nationalistische, maar ook vertegenwoordigers van bedrijfsleven (o.m. georganiseerd in de Warande-groep), en wetenschap, steunen een groeiende maatschappelijke wens in Vlaanderen om uit de federatie te stappen. Inschattingen van insiders doen vermoeden dat dit proces in versneld tempo voortschrijdt en dat de federale verkiezingen van 2007 wel eens nieuwe staatkundige hervormingen (lees: het vestigen van een confederale staatsvorm) zouden kunnen inluiden.

Tegen die achtergrond moet men de komst van de Strategienota Nederland verstaan: het is zeer wel denkbaar dat Vlaanderen op eigen staatkundige benen gaat staan en om die reden – mede via allianties met Nederland – versterking zoekt voor zijn positie in Europa en in de Benelux. Tijdens de genoemde bijeenkomst van 26 april jl. in de Vlaamse diplomatieke residentie werd, bijvoorbeeld, in alle duidelijkheid gesteld dat een mogelijke toekomstige Benelux niet drie maar vijf partijen zal kennen: Nederland, België, Luxemburg, maar ook Wallonië en Vlaanderen. Sterker nog: in één moeite door werd gesteld dat onder een vernieuwd Beneluxverdrag (richting politieke unie) ook Elzas-Lotharingen, Reinland-Pfalz en Nord-Rein Westfalen zouden kunnen gaan ressorteren. Terwijl de grenzen van de natiestaten vervagen worden die van economisch sterke regio’s steeds duidelijker.

Deze context brengt Nederland diplomatiek in een precaire situatie. Actief ingaan op de Vlaamse wens tot het sterker aanhalen van de banden, ook en met name in politiek opzicht, kan (volgens sommigen: zal) door de Franstalige zijde in België snel worden aangeduid als een complot om de Belgische staat in 2007 te ontmantelen. Immers, hoe sterker Vlaanderen bilateraal komt te staan, des te meer voeding krijgt het confederale, en daarmee separatistische, denken. Aan de andere kant zijn er nog maar weinigen in Europa die Nederland zien als een krachtige, volwaardige partner in Europa. Zoals we in de Tour de France nog maar zelden in een kopgroep zitten, dreigen we ook de aansluiting op de Europese te gaan missen. Een sterke alliantie met Vlaanderen kan in het voordeel van Nederland zijn, waar België zelf – door zijn toenemende instabiliteit – waarschijnlijk steeds meer aan invloed in Europa inboet. Dat zou anders zijn als zich in de EU een sterke sympathie zou aftekenen voor een Europese federale staatsvorm. Maar nu alleen nog de Belgische premier Guy Verhofstadt een dergelijk model bepleit – naar mijn mening overigens terecht, maar dat terzijde – lijkt ook België een rol van minder betekenis op het Europese toneel te gaan spelen.

Actief en met overgave een versterkte alliantie met Vlaanderen aangaan, lijkt mij hoe dan ook nuttig en noodzakelijk. Omdat de Nederlandse regering waarschijnlijk niet openlijk, en niet vóór de federale verkiezingen van 2007 tot een dergelijk actief beleid kan komen ligt hier, naar de idee van externe sleutelfiguren, een taak en opdracht voor de Nationale Conventie. De titel daarvoor ligt enerzijds in het genoemde artikel 2 dat ons legitimeert het terrein van de EU te bestrijken, waarvoor de werkgroep Europa tekent. Anderzijds ligt er een legitimatie in de werkzaamheden van de werkgroep Grondwet, met name waar deze zich sterk maakt voor een nieuwe Grondwet met een Preambule die de eigen, Nederlandstalige identiteit benadrukt. Bovendien ligt er een relatie met de werkgroep Regering-Parlement omdat die werkgroep o.a. met ideeën komt over versterking van de positie van de minister-president, ook op het vlak van Europa. Terzijde merk ik op dat de gevoeligheid van deze laatste materie – immers, lange tijd onderwerp van discussie tussen Buitenlandse Zaken en Algemene Zaken – naar het schijnt is opgelost ten gunste van versterking van de positie van de MP in dezen.

Nu de werkgroep Grondwet van de Nationale Conventie een nieuwe Grondwet maakt (of gaat voorstellen te doen maken), met een Preambule die aan de nationale identiteit hoge waarde hecht, mede gesteund door de huidige teksten van de werkgroep Europa om het zwaartepunt van Europese besluitvorming meer naar politieke dan naar bestuurlijke zijde te verschuiven, en ook gesteund door de idee van de werkgroep Regering-Parlement om de MP in Europees verband een steviger basis te geven, is het een gemiste kans als de Nationale Conventie niet zou inspelen op de behoefte aan versterking van de culturele identiteit via een hechtere alliantie met Vlaanderen. Waar Nederlandse overheid in dit dossier zeer behoedzaam moet opereren, kan de Nationale Conventie als neutrale instantie, met de opdracht om ook gedurfde aanbevelingen te doen, processen in beweging zetten die anders te lang op zich laten wachten.

Na gesprekken met personen die dit onderwerp graag hoog op de agenda van de Nationale Conventie zouden willen zien, doe ik daarom puntsgewijs het volgende concrete voorstel.

1. De Nationale Conventie vormt een delegatie, onder leiding van haar voorzitter en/of vice-voorzitter, om in Brussel enkele gesprekken te voeren over de vraag in welk opzicht de Nationale Conventie in haar rapportage zou kunnen bijdragen aan de wens van beide betrokken MP’s om invulling te geven aan de Strategienota Nederland, in de context van een positieve versterking van de Nederlandse positie in Europa.
2. Deze gesprekken, gedacht wordt aan MP Yves Leterme, minister van Buitenlandse Zaken Geert Bourgeois en minister van Economische Zaken Fientje Moerman, worden voorbereid door de diplomatieke vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Nederland, Axel Buyse.
3. De delegatie komt niet met lege handen. Zij biedt aan om in de rapportage van de Nationale Conventie voor te stellen een Vlaams-Nederlandse Raad voor de Parlementaire Journalistiek op te richten. Met als toekomstig voorzitter Yves Desmet, politiek hoofdredacteur van De Morgen (vermaard over zijn opvattingen inzake waarden en normen die politieke journalisten in acht horen te nemen), en met de vestigingsplaats in Den Haag. Voor de oprichting – en toekomstig curatorium van zo’n gemeenschappelijke Raad voor de Parlementaire Journalistiek – wordt gedacht aan Janssens/Eppink van ‘Vlaamse’ zijde, en Buyse/Van Wijnen aan de ‘Nederlandse’ kant.
4. Met de creatie van een dergelijke Raad worden meerdere vliegen in één klap geslagen. Ten eerste een duidelijk aanbod van Nederland om substantieel mee te werken aan een invulling van de Strategienota Nederland zonder dat daarmee een complottheorie van Waalse zijde wordt geactiveerd. Ten tweede een versterking van de behoefte in beide landen om de taalkundige en culturele identiteit te versterken ten behoeve van een betere positionering van beide landen in Europa. Ten derde een aanzienlijke stap in de discussie, in beide landen, over de rol van de politieke journalistiek in de ‘dramademocratie’ en de ‘beelddemocratie’. Voor het belang daarvan verwijs ik ten overvloede naar de desbetreffende passages uit de Algemene Beschouwingen van het Jaarverslag 2005 van de Raad van State.
5. Na de beoogde gesprekken met vertegenwoordigers van de Vlaamse regering zou de delegatie ook op Beneluxniveau een gesprek moeten voeren met secretaris-generaal Hennekam en adjunct secretaris-generaal Baldewijns. Nadenken over, en pro-actief handelen ten behoeve van versterking van de bilaterale banden, dient ingepast te worden in een visie over de plek van beide landen, Vlaanderen en Nederland, binnen de Benelux na 2010. In dat verband is het van belang te weten dat genoemde adjunct secretaris-generaal Eddy Baldewijns en Jan Hendrikx, voormalig DG van BiZa en oud-Commissaris van de Koningin in Overijssel, in de afgelopen jaren een bijzondere reputatie hebben opgebouwd in het versterken van de politieke, bestuurlijke en maatschappelijke verbanden tussen Nederland en Vlaanderen, onder meer via het Westerscheldedossier. De Benelux mag dan de iure een economische unie zijn, de facto opereert ze al in de context van politieke verbanden die boven een economische unie uitstijgen.
6. Voorts zouden wij in Brussel een gesprek moeten voeren met Eric Stroobants, secretaris-generaal van het departement van Coördinatie van het zogeheten ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Dit is het Vlaamse equivalent van ons ministerie van AZ, met dien verstande dat daar ook (de Strategienota Nederland van) buitenlandse zaken onder ressorteert. Samen met zijn collega Leo Victor heeft Eric Stroobants in opdracht van de Vlaamse regering in 2000 een nieuw model voor de Vlaamse ministeries ontworpen onder de naam ‘Beter Bestuurlijk Beleid’. Dat voorziet in de momentele ombouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met zijn zeven departementen, in dertien volledige ministeries, waarbij de uitvoering meteen via agentschappen op afstand wordt geplaatst. Anders dan het geval is met ons ZBO-systeem, is voor die agentschappen de ministeriële verantwoordelijkheid behouden. Nu binnen de werkgroep Regering-Parlement behoefte bestaat om in de rapportage van de Nationale Conventie aandacht te besteden aan het herzien van ons stelsel van ministeriële verantwoordelijkheid, mede in het licht van het ZBO-systeem, is een gedegen gesprek over de manier waarop men dit probleem in Vlaanderen oplost, van grote betekenis. Omdat er, ook in dit verband, een relatie bestaat tussen Eric Stroobants en Wim Kuijken, zijn Nederlandse collega van AZ, alsook de toekomstige nauwere betrokkenheid van de laatste bij het Europese beleid wegens de versterking van de positie van onze MP in dezen, acht ik het aangewezen dat de secretaris-generaal van AZ van dit voorstel op de hoogte wordt gesteld, en daaraan wellicht een eigen bijdrage levert. Ik stuur dit bericht dus vertrouwelijk aan hem, alsmede  aan Axel Buyse, de Vlaamse diplomatieke vertegenwoordiger.

Ik acht het denkbaar dat jullie als voorzitter en vice-voorzitter van de Nationale Conventie – voorzien van meer inzicht en wetenschap dan ik – redenen aanwezig achten om de Nationale Conventie geen rol en taak in dit opzicht toe te dichten. Mocht dat onverhoopt het geval zijn, dan neem ik aan dat er geen beletsel bestaat, buiten de Nationale Conventie – al dan niet samen met andere leden van de Conventie – separaat verder te gaan met het ontwikkelen van de oprichting van een Vlaams-Nederlandse Raad voor de Parlementaire Journalistiek.

Graag verneem ik jullie visie op dit voorstel. Met vriendelijke groet, Leo Klinkers